Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de gehuwde ambtenares ter sprake. Hij gelooft niet, dat de vrees gerechtvaardigd is, als zouden concubinaat en dergelijke dingen het gevolg zijn van een arbeidsverbod van de gehuwde ambtenares. Spr. meent dat de wetgever den werkgever wel terdege een voorschrift mag geven ten aanzien van wat hij (de wetgever) meent dat de werkgever verplicht is. Hij verdedigt in dit verband het arbeidsverbod voor de gehuwde vrouw. Ook brengt hij hulde aan mej. Crommelin voor haar referaat, al meent hij, dat zij het element der behoefte te zeer uitschakelt. In Rotterdam heeft men bij de salarisregeling wel terdege met de behoeften gerekend. Periodieke verhoogingen berusten ook op gezinsbehoeften. Mej. Crommelin gaat te zeer in tegen het meer en meer veldwinnend denkbeeld van het gezinsloon. Ongehuwde mannen en vrouwen moeten minder verdienen dan de gehuwde man, maar natuurlijk niet de gehuwde vrouw (applaus).

Prof. Bavinck thans het woord verkrijgende dankt de debatters voor de degelijkheid van hun betoogen. Er zou geen tweede congres zyn samen te stellen dat zoo ernstig de zaken bespreekt als dit. Hij wil zijnerzijds ten eerste spreken over de studie der vrouw. Het terrein der wetenschap is langzamerhand door de vrouw veroverd. Juist door dat veroveren kreeg de begeerde zaak te meer aantrekkelijkheid. De vrouw ging met geheel haar ziel begeeren, te mogen studeeren. De waarde daarvan overzag ze niet. Vandaar dat groote deceptie haar deel werd. Zij had zich dat geheel anders voorgesteld. Men beoordeelt de studie heel vaak verkeerd. Zij eischt veel èn van geest èn van lichaam. De vrouw heeft voor studie niet denzelfden aanleg, als de man. De vrouw, die wil gaan studeeren, moet vooraf alles wel overdenken. Wellicht is het noodig een bureau op te richten voor beroepskeuze der vrouw. Te meer omdat ook de practijk veelszins ontnuchtert. De concurrentie met den man is vaak moeilijk. De vrouw krijgt veelal weinig practijk. De vrouwen gaan om hulp en raad liever naar mannen, dan naar vrouwen.

Een tweede quaestie is de coëducatie. Spr. is er tegenstander van. In de lagere school levert ze geen gevaar op. Maar op ± 13-jarigen leeftijd gaan jongen en meisje psychisch en physisch geheel uit elkaar, dat is niet alleen op school, maar ook in geheel de maatschappij zoo. We leven in een mannenmaatschappij, die niet rekent met de eigenaardigheid der vrouw. Daardoor is coëducatie in strijd met het belang der vrouw. Spr. wyst in dit verband op H. B. S. en Gymnasium Veel meisjes willen slechts voor de maatschappij iets bereiken, maar moeten vakken leeren, die haar geheel tot ballast zijn. Na de lagere school moet er dus splitsing zijn, die zelfs tot in de medische faculteit wordt doorgetrokken. Spr. vraagt wat daar thans van het schaamtegevoel der vrouw overblijft. Hij wijst er overigens op, dat in Amerika de coëducatie is opgekomen uit den nood der tijden. Later heeft men er een theorie van gemaakt. Ze werd mode, ook in Engeland en bij ons. Intusschen is in Amerika de reactie er reeds. Volgens Spr. staat de zaak zoo, dat er bij uitzondering weieens een cursus door beide secten kan worden gevolgd, maar dat voor het overige coëducatie moet zijn uitgesloten.

In de derde plaats is er de quaestie van gelijk loon voor gelijken

Sluiten