Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

arbeid. Dat zou een goede regel zijn, maar wanneer is de arbeid gelijk? Immers nooit! Al begint men misschien weieens gelijk, op den duur loopt de arbeid zeer uiteen. De arbeid van den man en die van de vrouw vullen elkaar aan, maar zijn in geen enkel opzicht aan elkaar gelijk. Eer is er ontzaghjké verscheidenheid. Men moet zich ook ten deze verwonderen over den rijkdom en de kennis Gods. De vrouw grijpt de variëteit niet voldoende zooals, om slechts één voorbeeld te noemen, blijkt bij een romanschrijfster als mevr. Bosboom-Toussaint. Het is onjuist de menschen over één kam te scheren. De persoons-paedagogiek komt tegenwoordig meer tot haar recht boven de staatspaedagogiek. Spr. juicht dat toe al is hij van de staatspaedagogiek geen onvoorwaardelijk voorstander. Intusschen meent hij, dat, als de praestatie van man en vrouw gelijk zijn ook het loon gelijk mag wezen, maar dat is zelden het geval, zelfs bij het onderwijs niet waar de vrouw veel meer verzuim heeft en veel spoediger opgebruikt is dan de man.

Als vierde quaestie bespreekt Prof. Bavinck het „iets" willen worden, dat tegenwoordig algemeen is ook bij de meisjes. De moeders begrijpen dat niet steeds. Vooral de oudere met name op het platteland niet. Dat is niet vreemd, want de cultuurcentra geven den toon aan. Intusschen zit er iets billijks in de begeerte om iets te worden. Juist daarom is een bureau van beroepskeuze goed. Niet om de vrouw van het huwelijk af te houden, maar om haar aan te wijzen, wat voor haar te doen is. Ook voor de voorbereiding van het gezin heeft dat beteekenis. Thans is de toestand zoo, dat de dienstboden hooger loon vragen, maar niets_kennen of kunnen. Dat is de fout van onze tegenwoordige maatschappij. Een vijfde punt is het absolute verbod van fabrieksarbeid der vrouw. Spr. weet niet of dit verbod van minister Aalberse is te verwachten. Wij zijn in ons Vaderland op den goeden weg. De beroepsarbeid der vrouw is bij ons miniem en vermindert nog. Bij dit evolutieproces is geen wettelijk ingrijpen noodig. Er is ook een revolutie in goeden zin: er zijn niet alleen degenereerende maar ook regenereerende krachten. Er is eb en vloed. Zichzagsgewijze gaan we vooruit. Dat is een wet in het maatschappelijk leven: er is geen evolutieproces zonder God. In het geen we hebben is veel goeds; volkomen is de toestand niet, maar ook de Staat brengt ons de volkomenheid niet. Staat en maatschappij moeten twee blijven. We moeten niet alles laten reguleeren door de Overheid. De Overheid moet letten op de teekenen der tijden, op de volksconsciëntie, enz. Doet ze dat niet dan komt er van haar maatregelen niets terecht. Zeer zeker moet de wet soms ingrijpen, maar als regel, buiten de noodgevallen, mag ze dat niet. Wiar de preciese grens is, is moeilijk aan te geven. Overigens is fabrieksarbeid niet altijd de slechtste arbeid voor de gehuwde vrouw. Uit werken gaan is vaak veel slechter. Algemeene regelen kan men daarvoor niet stellen. Elk geval moet afzonderlijk beschouwd worden. En daarbij mag er dan wel een beetje angst voor den Staat inzitten. Spr. wil wel vooruit, maar den omnipotenten Staat wri hij niet huldigen (applaus). Men spreekt wel van christelijke Staatszorg, maar wat is dat? Spr. vertrouwt dit kabinet nogal, maar vraagt toch hoever die staatszorg zich mag uitstrekken. Men moet niet leunen

Sluiten