Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE DAG.

(Middagvergadering).

HET LOONVRAAGSTUK. Referenten: Mr. Dr. J. Schokking, C. Smeenk, Jhr. Mr. K. J. Schorer.

a. GEZINSLOON.

Door Mr. Dr. J. Schokking.

De vraag, die door den term „gezinsloon" aan de orde wordt gesteld, is tegelijk eene van de belangrijkste en moeilijkste, welke zich op sociaal gebied aan ons voordoen.

Van de belangrijkste, ornaat zij verband houdt met den voornaamsten grondvorm van het maatschappelijk leven, als hoedanig het gezin blijft gelden.

Van de moeilijkste, omdat hare beantwoording zoowel zal afhangen van de houding, die men in het algemeen tegenover het loonvraagstuk inneemt, als ook omgekeerd die houding kan bepalen. Zij is m. a. w. dermate met de door dit vraagstuk opgeroepen moeilijkheden verbonden, dat zij niet los daarvan kan behandeld worden, terwijl zij toch door haar eigenaardig karakter een afzonderlijke bespreking eischt, waarbij sterker dan bij genoemd probleem de aandacht moet vallen op niet-oeconomische factoren.

Het woord „gezinsloon" uitsprekend, staan wij midden in den strijd over de vraag, of het loon slechts te beschouwen is als de prijs voor geleverde waar, of dat bij de bepaling daarvan ook rekening dient te worden gehouden met het feit, dat de mensch, die zijn arbeidskracht geeft, iets offert, wat met niets anders is gelijk te stellen.

De eerste opvatting, die afkomstig is uit de school van Adam Smith, vindt haar uitdrukking in de vergelijking van den arbeider met den winkelier, zooals b.v. Yves Guyot eens schreef: „Men verkoopt zijn arbeid gelijk de winkelier zijn zout, zijn koffie of suiker, de bakker zijn brood, de slager zijn vleesch verkoopt".1) Of misschien wordt zij nog treffender weergegeven' door hetgeen De Molinari verklaarde: „Hit economisch oogpunt moeten de arbeiders als ware machines beschouwd worden, die een zekere hoeveelheid productiekrachten leveren en daarvoor nu eenige

*) Aangehaald bijt CL Smeenk, „Voor het sociale levem", blz. 79.

Sluiten