Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koeten van onderhoud en vernieuwing terugeischen, om op regelmatige en duurzame wijze te werken".1)

Van de andere opvatting vindt men b.v. een proeve in wat Minister Loeff schreef in de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp tot regeling van het arbeidscontract. De arbeidsovereenkomst was in art. 1637a omschreven als: de overeenkomst, waarbij de eene partij, de arbeider, zich verbindt om in dienst van de andere partij, den werkgever, tegen loon gedurende zekeren tijd arbeid te verrichten.

Ter toelichting hiervan nu heet het:

„Deze definitie wijkt af zoowel van die, gegeven door Mr. Drucker als van die, voorgesteld bij het ontwerp van den Minister Cort van der Linden. Zij wijkt in zooverre af van het ontwerp-Drucker, dat zij de uitdrukking „beschikbaar stellen van de arbeidskracht" vermijdt. Deze uitdrukking toch, door Mr. Drucker ^volgens het spraakgebruik van verschillende schrijvers gebezigd en waarin de opvatting, welke de arbeidsovereenkomst als eene huurovereenkomst beschouwt, aan den dag komt, schijnt niet volkomen juist te zijn.

De arbeidskracht toch is onafscheidelijk aan den arbeider verbonden.

Arbeidskracht, hetzij spierkracht, hetzij denkvermogen, is niet anders dan de macht om arbeid te verrichten. Alleen de arbeider heeft over die macht te beschikken. Evenmin als b.v. zijn gehoor of zijn gezicht kan de arbeider zijn arbeidskracht van het lichaam afzonderen en daarover aan anderen de beschikking geven. Hij kan niet meer dan zich verbinden, waar hij het hem geschonken vermogen tot arbeiden in actie brengt, het resultaat van die in werking gestelde arbeidskracht aan een ander af te staan .

Men. bemerkt, hierin is geen plaats meer voor de beschouwing van de arbeidskracht zelve als een koopwaar, waarbij de arbeider, de mensch ondergeschikt wordt; maar hier blijft het de mensch, die zijn arbeid ten dienst stelt.

Dit laatste is eigenlijk zoo vanzelf sprekend, dat onwillekeurig de vraag rijst, hoe is men tot die eerste opvatting gekomen en hoe heeft zij zoo langen tijd een overheerschende plaats kunnen innemen?

Want dat zulks het geval is geweest en die opvatting zelfs op het oogenblik nog niet een geheel overwonnen standpunt kan heeten, is ontwijf elbaar.

Het is voor een betere beoordieeling van hetgeen men den achtergrond zou kunnen noemen, waarop wij onder meer andere vragen ook bepaaldelijk die van het gezinsloon ontmoeten, wellicht niet overbodig uit den historischen ontwikkelingsgang van het arbeidsleven zelf het antwoord op de genoemde vraag te vinden.

Onder den invloed immers van de productiewijze in het laatst der 18de eeuw en de grootste helft der 19de eeuw en van een zich daarbij nauw aansluitende economische leer, gewoonlijk de theorie der liberale school genoemd, is het tot die opvatting gekomen van de arbeidskracht als een

*) Aangehaald fcjj C. Smeenk, „Voor het sociale leven", blz. 79.

Sluiten