Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dene door God aan man en vrouw meegedeelde gaven en talenten het heerlijkst tot ontplooiing komen, werd door te groote zorg gedrukt.

Wel bleef het gezin, voor zoover de vreeze Gods onder de menschen werkte, als een zegen gevoeld, en bood de natuurlijke genegenheid, die ouders en kinderen verbindt, gelukkig in de meeste gevallen een tegenwicht tegen die zorg. Maar men werd op een zware proef gesteld, en het gezin, dat in zijn bestaan een reden tot vreugde was, werd ook menigmaal een oorzaak van leed, al3 op de kinderen werd gezien. Deze konden in lichamelijk en geestelijk opzicht vaak niet tot behoorlijke ontwikkeling worden gebracht of moesten daarvóór reeds aan het werk om het levensonderhoud te helpen verdienen.

Door verbod van den arbeid voor kinderen en beperking daarvan voor jeugdige personen werd gepoogd dit kwaad eenigermate terug te dringen. Maar het was toch vooral de loonvraag, die zich bleef opdringen, en die in verband met hetgeen wij opmerkten van den aanvang af nauw samenhing met de behoeften van het gezin.

Hier ontwikkelt zich de strijd tusschen de opvatting van het loon, die vasthoudt aan de regeling door de wet van vraag en aanbod en die, welke bij de bepaling van het loon rekening wil houden met de behoeften.

Terwijl van sociaal-democratische zijde de laatste opvatting in het algemeen wordt voorgestaan en door het streven om aan de behoeften een voortdurende uitbreiding te geven ook de loonbepaling hier een punt van voortdurenden strijd blijft, is het vooral onder den invloed vam RoomsenKatholieke sociologen, dat aan die opvatting de uitdrukking is gegeven van gezins- of familieloon.

In hun geschriften vindt men de stelling vooropgeplaatst, dat de bepaling van het loon niet enkel mag worden overgelaten aan de werking van economische wetten, maar in overeenstemming behoort te zijn met de regelen der rechtvaardigheid. Er worden alzoo in de behandeling van het loonvraagstuk zedelijke overwegingen opgenomen, waarom de aldus opgestelde theorie als ethische tegenover de economische wordt geplaatst,.

Het is de leer van het rechtvaardige loon, gelijk zij wordt genoemd, en dit op grond van hetgeen de bekende Encycliek RerumNovarum van 17 Mei 1891 daaromtrent bevat.

Hierin wordt uitgegaan van een tweevoudig karakter van den arbeid, het persoonlijke en het noodzakelijke, dat naar de vertolking, welke Prof. Aengenent van het daarop betrekking hebbende gedeelte geeft, aldus wordt omschreven!:

„Werken is zijn krachten inspannen om zaken te verwerven, welke voor de verschillende behoeften des levens, en voornamelijk tot instandhouding van zichzelven, noodzakelijk zijn. In het zweet uws aanschrjns zult gij uw brood eten. Derhalve heeft bij den mensch de arbeid om zoo te zeggen, twee kenmerken door de natuur er aan gegeven, namelijk dat hij p e rsoonlijk is, daar de arbeidskracht vast zit aan den persoon, en geheel en al is het eigendom van hem, door wien zij wordt uitgeoefend, en tot

Sluiten