Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wiens nut zij uiteraard bestemd is; vervolgens, dat hij noodzakelijk is, om reden dat de mensch de vruchten van zyn arbeid noodig heeft tot instandhouding des levens. Het leven nu in stand te houden wordt door de natuur zelve, waaraan men ten zeerste moet gehoorzamen, bevolen".1)

Op dit met wat breeden omhaal van woorden beschreven karakter van den arbeid — in welke omschrijving die verheffing van de natuur ons bovendien vreemd aandoet — wordt met afwijzing van de theorie, dat de grootte van het loon slechts bij vrije overeenkomst wordt bepaald, de leer gebouwd van een minimum-eisch, waaraan het loon moet voldoen.

Om het belang daarvan, in zooverre als dit gedeelte vam dje Encycliek de voorname grondslag uitmaakt van de beschouwingen der Eoomsche sociologen, nemen wij dat ook aan de hand van bovengenoemde vertolking over.

Het luidt: „Indien de arbeid enkel van dien kamt beschouwd wordt, dat hij persoonlijk is, dan is er geen twijfel over of het staat den werkman vrij de grootte van het overeengekomen loon te krap te bepalen. Evenals hrj toch zijn arbeid vrijwillig geeft, zoo kan hij ook vrijwillig of met een schamel loon of met volstrekt geen loon tevreden zijn. Doch geheel anders dient men te oordeelen, indien men het begrip van. het persoonlijke van den arbeid inet het begrip van het noodzakelijke ervan verbindt, welk laatste wel in de gedachte maar niet in de werkelijkheid van het eerste scheidbaar is. Inderdaad in het Leven te blijven is een plicht dien ieder afzonderlijk heeft en die aan alle menschen gemeen is, waaraan het een misdaad is te kort te schieten. Hieruit komt noodzakelijk het recht voort om zich de dingen te verwerven, waarmede bet leven in stand gehouden wordt; en alleen! het met zijn arbeid verdiende loon verstrekt aan iederen man uit het volk de gelegenheid om zich dié zaken te verschaffen. Laat het dus zijn, dat werkman en patroon vrijelijk ten opzichte van hetzelfde contract en met name ten opzichte van de grootte van het loon overeenstemmen; toch is er nog altoos iets dat zijn grond vindt in de natuurlijke rechtvaardigheid, en wel iets hoogers en gewichtigers dan de vrije siril van de contracteerenden, te weten dat het loon niet ontoereikend mag wezen om den werkman, den matigen wel te verstaan ein den oppassenden, te onderhouden. TSn indien de werkman, door nood gedwongen of gedreven door vrees voor grooter onheil, de harde voorwaarden aanvaardt, welke hij, ofschoon hij niet wü,'<moet aanvaarden, daar ze door den werkgever of aannemer van het werk worden opgelegd, dan is dit geweld ondergaan, waarregen ds rechtvaardigheid in verzet komt".*)

Wij hebben de woorden, waarop het in deze aanhaling vooral aankomt, onderstreept. Want bij de uitwerking van het loon, dat niet ontoereikend

x) Cf. Praeadviezen over het onderwerp: Welke behoort de algemeene grondslag te zijm dier loonsbepaling?

Uitgave van de Vereeniging voor de Staathuishoudkunde en de Statistiek, 1913, blz. 14.

*) T. a. p. bk. 14/16.

Sluiten