Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mag zijn voor den matigen, en oppassenden werkman, heeft zich de vraag voorgedaan, of dat minimum-loon als individueel loon of als gezinsloon moet worden opgevat; d. w. z. of in de bepaling daarvan met den arbeider als individu of als hoofd van een „gemiddeld gezin" — dit is de gebruikelijke term in de literatuur — moet gerekend worden.

De steeds meer overheerschende opvatting beweegt zich in de richting van het gezinsloon. De reeds genoemde Prof. Aengenent, een der voornaamste verdedigers in ons land, schreef in zijn aangehaalde praeadviee: „De vraag zelf, of namelijk het arbeidsloon een gezinsloon moet zijn, dan wel een individueel looir, is tegenwoordig onder de voorstanders onzer ethische theorie zoo goed als beslist, en wel ten gunste van het gezinsloon." *)

Wij gaan den strijd voorbij, die in de schrifturen der Boomsch-Katholieke publicisten op dit gebied een groote plaats inneemt, over de vraag, of het gezinsloon ook in de Encycliek zelve wordt geleerd. 2)

Die strijd is soms vrij heftig gevoerd; maar het punt, waarover gestreden wordt, is niet altijd duidelijk. Een gevolg hiervan, dat onder degenen, die het gezinsloon voorstaan, verschil is over den zin, waarin dit moet worden opgevat.

Drieërlei gevoelen wordt daarbij ontmoet, dat gewoonlijk onderscheiden wordt door te spreken: a. van relatief, h. van collectief, c. van absoluut familieloon.

Met het eerste wordt bedoeld een loon, dat geregeld wordt overeentkomstig de grootte van het gezin; dat alzoo rijst en daalt met het aantal kinderen. s)

Onder het tweede, een collectief gezinsloon, wordt verstaan een loon, dat samengesteld is uit verschillende deelen;-uit de loonen van het hoofd van het gezin, van de vrouw en de kinderen, welke bij elkander gevoegd, in staat moeten stellen om bet gansche gezin te onderhouden.4)

Het derde eindelijk, het absolute familieloon, is te verstaan als een loon, dat aan den arbeider moet worden uitgekeerd, onverschillig of hij gehuwd is of niet, of hij, gehuwd zijnde, kinderen heeft of niet, maar dat

l) T. a. p. blz. 29.

*) Cf. o.m. A. Nuyens, „Welk ie een rechtvaardig den arbeider toekomend loon?", blz. 11, 12.

3) De omschrijving, welke Prof. Aengenent daarvan geeft als „een loon, dat in staat is een gezin te onderhouden, onverschillig, hoe groot het ook zij" (of. t. a. p. blz. 29/30) lijkt ons minder gelukkig.

. *) Wij meenen de bedoeling aldus juist weer te geven. Want ook op dit puniii «ijn de verBohillenxle omschrijvingen weinig ibepaald. Zoo vindt men bij A. Nuyens, t. a. p. blz. 16 eene ontleend aan Dom Janssens, Benedictijn van Maredeous van dezen inhoudl: „Het loon van het arbeidersgezin moet voorzien in de behoeften van het arbeidersgezin; of wil men aan deze collectiviteit een breederen zin geven dan zegge men: het loon van de arbeidersklasse moet voorzien in de behoeften van de ar-beidersklasse", ene. Hoort men Prof. Aengenent, dan is het (t. a. p. blz. 30) ,een loon, dat in staat is om een gezin te onderhouden, doch dat is samengesteld uit verschillende deelen; vooreerst uit een vast gedeelte, hetwelk door het hoofd des gezins verdiend wordt, en dlat de patroon verplicht is te

16

Sluiten