Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij met iedereen, die met ons aanneemt, wat wij uitvoerig genoeg hebben betoogd, dat de waarde van den arbeid en niets anders moet betaald worden." *)

Bij deze opvatting ligt het voor de hand, dat zij, die van oordeel zijn, dat bij de bepaling van het loon alleen gevraagd mag worden naar den gepraesteerden arbeid, tegen de stelling van een familieloon geen bezwaar maken, maar wel als het in den zin van een relatief familieloon' wordt verstaan.

Intusschen moet de vraag worden gedaan, of in bovenstaande redeneering niet een verwarrend element ligt, en of men wel recht heeft bij zijn stelling van een familieloon zulk een tegenstelling te maken tusschen de waarde van den arbeid en de behoefte van den werkman.

Wanneer uitgegaan wordt van de overweging, dat het loon in staat moet steUen in het onderhoud van een gezin te voorzien, en daarmee ernst wordt gemaakt, is het niet enkel de vraag meer van de waarde van den arbeid op zich zelf, maar is in de beoordeeling daarvan een! element opgenomen, dat aan de behoefte van een gezin wordt ontkend.

Het 'is dan ook merkwaardig, dat beiden op hetgeen wij boven vam hen aanhaalden, nog iets laten, volgen. Prof. Aengenent: „Wel vindt men daarin een minimum-maatstaf," d. w. dus z.: in de b e h o e f t e n van den werkman. En Prof. Bruin: „Alleem voegen wij ter bij, dat de menschelijke arbeid, waarvan hier sprake is (abnormale omstandigheden buitengesloten), minstens het zoogenaamde*) familieloon waard is." Dat is dus evenzoo: het familieloon en minimum-maatstaf.

Al weten wij nu wel, dat in de uiteenzetting van de waardebepaling van den arbeid door de beide schrijvers, ofschoon ieder op een verschillende manier, gepoogd wordt het element van de behoefte van een gezin als objectieve factor te verwerken, zoodra de kwestie van een minimumloon aan de orde komt, is er toch de vraag, dat in een bepaalde behoeft*' wordt voorzien.

Indien dit laatste ten minste niet enkel theoretische beteekenis zal hebben, maar uitwerking zal vinden in de practijk. Die practijk levert intusschen de moeilijkheid. Hoe en door wie zal bet gezinsloon-minimum worden bepaald?

Cf. „Sociologische beginselen", Leiddraad bij de studie der sociale quaestie, door P. B. Bruin S. J. 2de druk, iblz. 294, Er zou aanleiding wezen om in het algemeen de aandacht te vestigen op de bijzonder vrijmoedige wijze, waarop hier geschreven wordt; maar die bewering omtrent het: door niemand verdedigd worden van een familieloon, waarbij met de talrijkheid van het gieain gerekend wordt, is toch wel heel kras. Wij meenen, «m alleen dit te noemen, dat de kindertoeslag, waarover wij nog hebben te spreken en die de toepassing is vam deze gedachte, niet het minst ook onder de geestverwanten: van den schrijver vele aanhangers telt.

*) Dat „zoogenaamd" hier is treffend'. Er is dan ook aanleiding tot de vraag, of naar dé leer van het absolute familieloon hiervan wel gesproken kan worden anders dan in oneigenlijken zin; en of het gemis aan scherpe onderscheiding in dit opzicht geen deel vam de schuld draagt van de onklaarheid, die er in de literatuur over dit onderwerp gevonden wordt.

Sluiten