Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zal het worden gewaarborgd, of zal er enkel naar worden gestreefd, dat het loon althans die hoogte bereikt?

Het zijn de vragen, die de minimumloonkwestie in het algemeen beheerschen; waarop wij hier niet ingaan, daar zij ons buiten het getrokken kader zouden brengen. Het is voldoende te hebben aangewezen, waar de leer van het absoluut familieloon thuis hoort.

Deze heeft haar voorname beteekenis om den inhoud; dien zij aan de gedachte van het minimum geeft, wat op zich zelf van uitnemend gewicht is.

Ook omdat zij tegenover de beschouwing, die voor de oplossing van de moeilijkheden van het vraagstuk, nevens eene andere regeling van het

eigendomsrecht in gezinsbeperking, „organisatie van het huisgezin"

gelijk het bij Mr. van Houten heet1) — een uitweg zoekt, in verband met de heiligheid des huwelijks, de rechten van het gezin handhaaft.

Maar wat de oplossing zelve aangaat, brengt zij niet verder dan waar de vraag van een minimum-loon ons plaatst; die vraag slechts versterkend, en, wij zouden er aan willen toevoegen, opdringend om verwezenlijkt te worden.

Die drang ligt niet het minst in de qualificatie van' „rechtvaardig loon'; welke begrijpelijkerwijs tot misverstand heeft aanleiding gegeven.

Hieruit kan toch licht worden afgeleid, dat dan ook bedoeld wordt, dat er een rechtsplicht tot betaling van zulk een loon zijn zal. . Hoewel de ontwikkeling van het denkbeeld zich ook inderdaad in die lichting begint te bewegen, waarhij wij denken aan den drang naar bedrijfsorganisatie, om door. middel van een zoodanige wettelijk erkende organisatie het loon te bepalen, wordt daarvan echter bij degenen, die het absoluut familieloon als een rechtvaardig loon verdedigen, weinig gevonden.

Veeleer bepaalt men er zich toe om te spreken! van een verplichting, en bedoeld is dan een zedelijke verplichting, geen rechtsplicht.

Deze vraag is het onderwerp geweest van een correspondentie met Kardinaal Goossens, aartsbisschop van Mechelen, die naar aanleiding van een heftige polemiek in zijn diocees in 1891 eenige vragen naar Rome gezonden had. Daarin kwam op de vraag:

„Zondigt de patroon, die een loon betaalt voldoende voor het bestaan van een werkman, maar onvoldoende voor het onderhoud van zijn gezin, hetzij dit met zijn vrouw talrijke kinderen bevatte, hetzij het niet talrijk is?"

dit antwoord voor:

„Hij zal niet tegen de rechtvaardigheid zondigen, maar hij karn somwijlen zondigen, hetzij tegen de liefde, hetzij tegen de natuurlijke billijkheid.» 2) J J

. 1) Praeadviezen t. a. p. blz. 39.

u j Cf-.N'uJre?e> t. a. p. blz. 19 vlgg-., waar hetgeen op deae correspondentie betrekking heeft, uitvoerig wordt meegedeeld.

Sluiten