Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij bij het gezinsloon, in den vorm van verhooging bij huwelijk en verdere verhooging bij de uitbreiding van het gezin, niet voor iets gansch nieuws staan. Want het leert, dat de gedachte, die aan het gezinsloon — een loon, dat verband houdt met het gezin en dienovereenkomstig geregeld wordt — ten grondslag ligt, geen vreemde maar een zeer natuurlijke is. En al willen wij daarmede niet de rechtmatigheid bewqzen, noch de wenschelijkheid ervan vaststellen, tegenover vele abstracte redeneeringen, waarmee soms bepaalde maatregelen, ook die van het gezinsloon, bestreden worden, heeft het genoemde feit zijn waarde.

Wanneer er dan ook zijn, die reeds vooraf een dergelijk gezinsloon verwerpen op grond van de overweging, dat het in strijd komt met de stelling, dat alleen de geleverde arbeid en niets anders betaald mag worden of ook met deze, dat het geen algemeene toepassing kan vinden; zijn wij niet bereid, daarvoor dadelijk uit den weg te gaan.

Wij noemden hier twee van de bezwaren!, die voornamehjk tegen dit gezinsloon worden ingebracht. Er zijn meerdere, maar op de genoemde wordt toch groote nadruk gelegd, zooals ook Prof. Diepenhorst in zijn belangrijke behandeling van dit deel van de loonkwestie in zijn „Voorlezingen over de Economie" laat uitkomen.1)

Het eerste daarvan is ontleend aan de stelling, welke wij ook reeds boven tegenkwamen, dat de dienlstpraestatie alleen de grondslag mag wezen voor de loonsbepaling en niets anders. Doch met recht wordt door Prof. Diepenhorst de aandacht gevestigd op het stelsel van de periodieke verhoogingen, daf bij de salarisregeling van onderwijzers en talrijke ambtenaren, en beambten in publieken dienst bestaat.

Daarin wordt toch blijkbaar met de stijgende behoeften in den voortgang der jaren gerekend.

Het is immers moeilijk aan te nemen, dat er een zoo regelmatige en voortdurenlde verbetering in den geleverdten arbeid' zou zijn, dat daardoor alleen die periodieke verhoogingen verklaard kunnen worden. Neen, eer is er aanleiding voor de vraag, of men in het stelsel van periodieke verhoogingen niet te eenzijdig te werk gaat en' te weinig rekening houdt met den gepraesteerdenJ arbeid. In elk geval is het een duidelijke weerlegging van de leer, dat er slechts loon maar werk moet zijn en niet ook op de behoefte gelet zou mogen worden.

Hieraan wordt trouwens door hen, die op dezen grond van geen kindertoeslag willen weten in andere gevallen! geenszins vastgehouden, waartoe door den! genoemden Hoogleeraar gewezen wordt op den afkeer, zoowel van stukloon als het premiestelsel, welke beide zich op het standpunt van loon naar werk juist zouden aanbevelen.

De tweede voorname bedenking is die, dat het gezinsloon voor geen algemeene toepassing vatbaar is, in zooverre als daarvan het gevolg zou

*) Mr. P. A. Diepenhorst, „Voorlezingen over de Economie'' Dl. III blz. 145 vlgg. Van de hierin voorkomende behandeling hebbten wij in het vervolg voor een groot deel een dankbaar getbruik gemaakt.

Sluiten