Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal hij redelijkerwijs steeds kunnen voorzien. Bij eenl dergelijke situatie zou het kapitalistisch bedrijf niet kunnen bestaan, merkt Kautsky op. De socialistische gemeenschap daarentegen wel?

Kautsky schijnt dus de leus: „wie niet werkt — juister: niet werken wil — zal óók niet eten", niet in practijk te willen brengen. Deze leus wordt thans wel aangeheven, om de onrechtvaardigheid te demonstreeren van déze maatschappij, waarin velen leegloopen, omdat anderen werken en voor rente, voor „meerwaarde" zorgen. Maar straks zal ook wie niet werken wil voor de gemeenschap, toch bevrediging van zijn behoeften kunnen verkrijgen.

Kautsky erkent, dat van den regelmatigen voortgang der productie onder het socialistisch régime alles afhangt. Maar hoe dien voortgang te verzekeren? Niet door het drijven met de hongerzweep! Ook niet door krasse reglementeering. Het zegevierende proletariaat zou geen kazerneachtige reglementeering verdragen. Neen, men moet den arbeid zelf aantrekkelijk maken. „Men moet trachten", schrijft hij, „den arbeid, die beden een last is, tot een lust te maken, zóó, dat het een genoegen! wordt te arbeiden". Met vreugde moeten de arbeiders aan het werk gaan, ook aan het minst aantrekkelijke! (Maar Kautsky geeft geen middel aan, om den industrie-arbeid zóó te wijzigen, dat bet werk minder monotoon, minder geestdoodend wordt. Dit probleem' wordt door hem niet opgelost.)

Voorts zal de arbeider zich wel aan het werk begeven, meent Kautsky. door „de macht der gewoonte". Bovendien leeft er in de arbeidersklasse, ook zonder uitwendige machtsmiddelen, discipline.

Maar veel vertrouwen heeft Kautsky zelf toch blijkbaar in dit alles nog niet. Hij wil den arbeid bovenal aantrekkelijk maken door betere arbeidsvoorwaarden: korten arbeidsduur en.... hooger loon!

Dus toch zoowaar weer het loonstelsel!

Er schuilt, men gevoelt het, méér dan één tegenstrijdigheid in deze redeneering. Veel nuchterder en] zakelijker is B e r n s t e i n. Hij heeft de arbeiders op het hart gedrukt, dat een hooger loon, een hooger levenspeil, meer comfort en geestelijke genieting ook straks alleen mogelijk zal zijn bij regelmatigen arbleid, waarbij men onderworpen is aan de wetten en bepalingen, die voor het arbeidsleven in nijverheid en landbouw zijn vastgesteld.

Aan afschaffing van het loonstelsel gelooft Bernstein niet. In de Sozialistische Monatshefte van 1906 betoogde hij met nadruk, dat deze communistische utopie moest worden losgelaten. „De leuze van afschaffing van het loonstelsel verliest voor allen afzienbaren tijd evengoed elke beduidenis, als de idee van de afschaffing van het geld reine utopie is". „De strijd, schreef hij, gaat niet tegen het systeem van den) loonarbeid, want dat is nauw verbonden met onze op arbeidsverdeeling berustende volkshuishouding, van wier groote voordeelen de menschheid geen afstand kan en mag doen".x)

!) Soz. Monatshefte 1906, 2e band, blz. 839 en vlgg.

Sluiten