Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aandeel is van den patroon, wat van den werkman, op de grootste moeilijkheden, ja is zelfs onmogelijk".1)

Deze bestrijding van de Oostenrijkeehe School moge van scherpzinnigheid blijk geven, zij is niet in elk opzicht overtuigend. De „maatschapsgedachte" is ook in het schildersbedrijf zeer wel toe te passen, ook al kan de schilder geen eigendomsrechten op het door hem geschilderde huis doen gelden. Men onderschat Von Vogelsang c.s., indiem men meent hen zóó te kunnen bestrijden, al moet erkend, dat zij door hun eigenaardige argumentatie dergelijke opmerkingen uitlokten.

Veel krachtiger staat Aengenent als hij betoogt, dat het looncontract in zich niets onzedelijks heeft. Zeker, het kan aanleiding geven'tot uitbuiting. „Men mag de associatie tusschen kapitaal en arbeid, zooals de Oostenrijksche School die voorstaat, idealer vinden; men kan er naar streven, om door productie-coöperaties, waar die kans van slagen hebben, bet loonstelsel minder algemeen; te maken, maar op zich zelve is het looncontract niet onrechtvaardig". Aengenent Ivoert daarvoor deze gronden aan:

lo. „Van den kant van den arbeider is er zeker niets onzedelijks in gelegen, dat hij afstand doet van dat gedeelte van het product, dat hem krachtens de samenwerking van kapitaal en arbeid zou toekomen, en' dat hij arbeidt voor een bepaald loon. Immers als er niets tegen» is om voor niets te werken ten bate van een ander, dan is er ook niets tegen, dat men arbeidt voor loon",

So. „Maar ook van den kant der patroons is er niets tegen, dat zij arbeiders in loondienst nemen. Immers associatie is vlakweg onmogelijk om twee redenen. Vooreerst, bij associatie, waarbij de arbeiders in de winst zouden deelen, moeten zij ook deelen in het verlies en in het risico der onderneming. 2) Welnu, de arbeiders missen het kapitaal, waarmede zij het verlies en de risico tegenover de patroons zouden kunnen waarborgen. Het ia dus niet onredelijk, dat de patroons dien vorm niet aanvaarden, daar op hen het geheele verlies en de geheele risico neerkomt. Zij zeggen derhalve tot de arbeiders: wij willen het geheele risico dragen, ook alle verlies nemen wij voor onze rekening; gij daarentegen kunt rekenen op een vast inkomen. Het is dus niet onredelijk, dat de arbeider afstand moet doen van het geheele arbeidsproduct; dit wordt geheel en al het eigendom van den patroon, doch hij ontvangt een vast loon. Stijgen dan de winsten, dan kan de arbeider evenmin aanspraak maken op hooger loon krachtens de strikte rechtvaardigheid8), want hij heeft geheel en al afstand gedaan. Ten tweede, de arbeiders moeten op korte termijnen! geld ontvangen om

*) Aengenent legt hier nadruk op „strikte rechtvaardigheid". Op andere gronden meent ook hij, dat de arbeider van den bloei der bedrijven terdege profijt moet genieten.

') In ander verband zeggen wij over deze stelling nog een en ander. 3) J- D. J. Aengenent, Leerboek der Sociologie, Leiden 1909, blz. 322. Men zie ook het P r a e-a d v i e s van denzelfden schrijver.

Sluiten