Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gide pleit daarom voor productieve en consumptieve coöperatie en aanvaardt de deelname in de winst als een eerste stap in de betere richting, waarbq de tegenstelling van belangen wordt opgeheven.

Van alle kanten is voor het participatiestelsel propaganda gemaakt. Vooral in Frankrijk. Eeeds van 1879 af werkte daar de Société pour 1'étude pratique de la participation du personnel dans les bénéfices, die geregeld bet tijdschrift Bulletin de la participation aux bénéfices liet verschijnen. Prijzen zijn uitgeloofd voor de beste geschriften over het participatiestelsel. Maxweiler, wiens Le participation aux bénéfices. Contribution a 1'étude des modes de rénumération du travail zeer interessant is, werd bekroond. Ook vele andere ochrijvers van beteekenis verdedigden het systeem met gloed van overtuiging. Wij denken aan de Franschen Charles Bobert en Albert Trombert. Aan Victor Böhmert en Wilhelm Stiel in Duitschland. Aan Gilman, wiens werk Methods of industrial peace eveneens werd bekroond. Gilman's werken zijn er druk gelezen. Meer dan eens kwam de quaestie in het parlement ter sprake. Van onderscheiden kant werd er op aangedrongen, om de firma's die het participatiestelsel toepasten, van staatswege direct of indirect te steunen. Ook in Frankrijk ontbrak het niet aan pogingen — men denke aan het ontwerp van 22 Mei 1913 — om het oprichten van nieuwe, of het omzetten van bestaande vennootschappen in „vennootschappen met arbeidsaandeelen" aan te moedigen. Ten onzent trad J. L. van Marken, wiens naam niet alleen als practisch bedrijfsleider, maar ook als schrijver en/ sociaal werker met eere wordt genoemd, als kampioen voor winstdeeling op.

Ook Ds. J. O Sikkel gaat in zijn Vrijmaking van den arbeid in deze lijn. Met sympathie wijst hij op het voorbeeld der Gebrs. Stork & Co. in Hengelo, waarover wq' later nog zuUen spreken . - Mr. Dr van de Laar maakte van winstdeeling en bedrijfsmedebezit een belangrijk punt van zijn Christelijk-sociaal program. De hoofdoorzaak der huidige sociale desorganisatie ziet hij in het feit, dat de loonarbeiders van alle bezit der productiemiddelen, van allen invloed op den gang der productie zijn verstoken. Algeheele „socialisatie", een waarlijk-socialistische organisatie der productie — iets geheel anders dan het brengen van een aantal bedrijven in handen van Staat of Gemeente — acht Mr. van de Laar niet wel mogelijk. Wel is „partieele socialisatie" bereikbaar. Daaronder wordt dan vooral bedrijfsmedebezit verstaan, „gepaard met een zekere medezeggenschap der arbeiders in de wijze van arbeiden, in heel de regeling der productie. En daarnaast een juiste regeling van de rechtspositie der arbeiders, bijzonderlijk wat ontslag betreft. Een arbeidersvertegenwoordiging met belangrijke en juist omschreven rechten is hiertoe een besliste voorwaarde".

Heel de sociale positie der arbeiders wordt aldus — meent Mr. v a n d e Laar r— in den grond gewijzigd. „Het proletariaat houdt op bezitloos en voor een goed deel rechteloos te zijn. De scherpe scheiding der klassen

Sluiten