Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een bezit, dat alleen waarde beeft voor wie lid is van de collectieve gemeenschap van het personeel. Alleen schijnt in dezen gedachtengang billijk, dat aan de weduwe en minderjarige kinderen van een overleden, arbeider, die gedurende langen tijd zijn krachten aan de onderneming gaf, een zekere uitkeering, in verhouding tot de waarde van het arbeidsaandeel,. wordt gewaarborgd.

Op de algemeene vergadering van de vennootschap worden ook de bezitters van arbeidsaandeelen door gevolmachtigden vertegenwoordigd. Deaanwijzing geschiedt door de gezamenlijke arbeiders. Bij de verkiezing kan het aantal stemmen van elkenj arbeider-aandeelhouder in zekere evenredigheid tot zijn loon worden gebracht. Het spreekt van zelf, dat de arbeiders bij deze regeling ook in den raad van beheer behooren vertegenwoordigd te zijn. Bedragen de arbeidsaandeelen) % van de kapitaalsaandeelen, dan moet het dividend in dezelfde verhouding worden verdeeld.

Wij wijzen een gaan in deze lijn niet principieel af, mits de onderneming, wat het gewone loon en andere arbeidsvoorwaarden betreft, zich niet onttrekt aan de minimum-arbeidsvoorwaarden bij collectief contract in den betrokken bedrijfstak vastgesteld. Wij willen niet een groep brengen in een bevoorrechte positie, ten nadeele van mede-aibeiders.

• Niemand make zich evenwel een overdreven' voorstelling van hetgeen op deze manier bereikt kan worden. Men is afhankelijk van de stemming, die onder de leiders der productie, in den kring der kapitaalbezitters en; onder de arbeiders voor deze zaak wordt gevonden.

Tot dusver schq'nt die sympathie eer af- dan toe te nemen. De cijfers in het tweetal Reports, in 1912 en 1914 verschenen1), toonen) op welsprekende wijze aan, dat het systeem van winstdeeling en' bedrijfsmedebezit nergens breede toepassing vond. Eer valt achteruitgang dan vooruitgang te constateeren.

In Groot-Brittannië voerden1 in den loop der jaren 299 bedrijven| de winstdeeling in. Bij 133 bestond ze in 1912 nog. 64 pCt. van deze laatste ondernemingen voerden haar eerst in na 1900,bij 40 pCt. dagteekende de invoering van 1907 en) volgende jaren, zoodat de toepassing nog te kort was, om reeds in 1912 een wel- overwogen! oordeel uit te spreken. De statistiek luidt aldus: tot 1870 20 gevallen, waarvan 3 nog in 1912 bestonden, van 1871 tot 1880 18 gevallen, waarvan nog 6 over ten! tijde der enquête; van 1881 tot 1890 zijn de cq'fers 84 en! 30; van 1891 tot 1900 82 en 23; van 1901 tot 1905 27 en 19; van 1906 tot 1910 55 en 49; van 1911 tot Augustus 1912 voerden 13 bedrijven de winstdeeling in.

Gedurende den oorlog was ook in Engeland de vraag aan de orde: hoe voorkomen wij straks schadelijke botsingen tusschen „kapitaal" en „arbeid". De sectie voor Staathuishoudkunde en Statistiek van „The British Association for the Advancement of Science" overwoog allerlei middelen. Maar zq' wenschte niet opnieuw pogingen te zien gewaagd, om de „profit-sharing"

*) Bepcrt on profitsharing and Labour copartnership in the United Kingdom (Londen 1912) en Eeport on profitsharing and Lbaour copartnership abroad (Londen 1914).

Sluiten