Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en het „co-partnership" op breede schaal ingang te doen vinden. Zij wilde de oplossing zoeken in de lijn van het collectieve contract en van een krachtige sociale politiek.

Wel zijn er in de Engelsch-sprekende wereld ook in den laatsten tijd nog enkele voorbeelden van een geslaagde toepassing. Zoo bevatte Handelsberichten van 23 Jannari 1919 een rapport over de schoenenen laarzenindujtrie van Australië, samengesteld door de Australische Interstate Commissie en ingezonden door vice-consul Teppema te Melbourne. Aan het slot van dat rapport wordt het volgende medegedeeld over winstdeeling door werklieden:

„Eenige fabrikanten hebben door een gewijzigden vorm van winstdeeling het lot hunner werklieden verbeterd, terzelfder tijd hun omzet vergrootende. Het ten deze het meest de aandacht trekkende geval slaat op een fabriek, waar de mannelijke werkkrachten tot een| coöperatief systeem worden toegelaten, krachtens hetwelk zij 50 pCt. van de winsten ontvangen en indien de bedrijfsonkostenJ beneden de 7^2 pCt worden gehouden, wordt hetgeen heneden dat percentage bespaard wordt, eveneens onder de werklieden verdeeld. Dit systeem, ofschoon slechts korten tijd in werking, heeft reeds een goed winstcijfer tot resultaat gehad, terwijl vroeger de fabriek met verlies werkte".

De vraag is natuurlijk of het „beklijven" zal.

In Duitschland werden in 1913 nog slechts 30 ondernemingen met winstdeeling aangetroffen en van de 54 inrichtingen, die in 1878 het participatiestelsel hadden, gaven het slechts 9 niet prijs. Ook daar wordt de oplossing van het arbeidersvraagstuk vooral in andere lijn gezocht. Eenjerzijds won de „socialisatie-gedachte" terrein. Anderzijds worden veelomvattende overeenkomsten gesloten tusschen de organisaties van werkgevers en werklieden.

In Zwitserland waren in 1913 nog slechts 10 ondernemingen, die de winstdeeling kenden.

In het groote Amerika met zijn machtige industrie heeft het participatiestelsel slechts bij een 30-tal ondernemingen toepassing gevonden.

'.Gunstiger is de toestand in Frankrijk, waar men ook van Overheidswege het streven naar bedrijfsmedebezit eenigszins aanmoedigde. Daar wordt m 114 ondernemingen de winstdeeling aangetroffen. In verband met de opmerking van Aengenent, hiervoren geciteerd, verdient vermelding, dat in 1842 de huieschilder Leclaire het systeem invoerde met een zeldzaam gelukkige uitkomst. Ook het Familistère van G u i s e mag genoemd worden.

In Nederland vond het systeem toepassing bij eenlige, betrekkelijk kleine ondernemingen in het drukkers-, slagers- en meubelmakersvak. Niet ongewoon is een zekere dividenduitkeering aan het .personeel bij bankiersondernemingen. Maar slechts in twee betekenende fabrieken, die van Van Marken in Delft eni de fabriek van rollend spoorwegmateriaal te Amsterdam, werd het stelsel met zeker succes in practijk gebracht. De L. O. V. in Oosterbeek is nog jong.

Sluiten