Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestaat het practische bezwaar, dat soms de minder degelijke arbeider met hooger loon naar huis gaat, dan de meer degelijke. Spr. vraagt of de zaak niet ware te vinden door sociale verzekering, met uitkeering aan groote gezinnen.

De heer P. J. D a m (Hilversum) vindt het standpunt van de referenten te zwevend. Hij vraagt den heer Schokking waarom men van den particulieren werkgever niet eischt, dat hij den arbeider zoo beloone, dat deze in de behoefte van zijn gezin kan voorzien als hij zijn geheele arbeidskracht geeft. Zijnerzijds is Spr. voorstander van relatief familieloon. Tegenover den heer Smeenk merkt hij op, dat het participatiestelsel, tegenover gewone loonsverhooginigen dit voor heeft, dat niet weer in prijsstijging verloren gaat, wat de arbeider meer krijgt. Het groote bezwaar tegen het stelsel is, dat de arbeider in goede tijden went aan inkomsten, die niet'blijvend zijn. Met het oog op tijden van inzinking levert dat gevaar op.

De heer Baas (Amsterdam) zegt, dat de organisaties altijd absoluut familieloon vragen. Men wil de loonen zoozeer omhoog brengen, dat iemand met een gezin er van leven kan. Een groot jgezin geeft vaak groote zorgen, maar aan groote zorgen verbindt God vaak grooten zegen. Ook de arbeider moet zelf verantwoordelijkheid leeren dragen. Zal aan de loonsverhooging, met als gevolg duurder leven, eens een eind moeten komen? Zal daarbij winstdeeling en bedrijfsmedebezit kunnen helpen? Spr. vraagt verder of bedrijfsorganisatie helpen kan of wel dat wellicht meer socialisatie noodi® is? En of die allicht de planeet meer bewoonbaar kan maken? En inzake het Taylorstelsel oppert hij de vraag of de organisatie niet op de planafdeeling een man moet hebben, die is een ingenieur en physioloog en bovendien nog een praktisch mensch. Hij meent, dat de organisatie geen menschen heeft om invloed uit te oefenen op de planafdeeling!. In het algemeen, zoo merkt Spr. tenslotte op, denken de arbeiders over zulke dingen niet erg gunstig.

De heer Steketee (Amsterdam) vindt dat de lusten, die de aarde oplevert, beter verdeeld) moeten worden. Twee, drie en meer personen moeten meer krijgen dan één. Hij staat voor relatief gezinsloon, met een grondloon, waar men van leven kan. Het gezinsloon-systeem kan doorgevoerd worden, zelfs voor alle 'bedrijven. Het kan in den weg van sociale verzekering, waarbij Spr. echter waarschuwt tegen administratieve rompslomp. Hij meent, dat met geconcentreerde bedrijven alles te bereiken is en staat daarom voor naamlooze vennootschappen met collectieve arbeidscontracten, waarin alles geregeld is.

De heer Sybranda (Heerlen) noemt het Taylorstelsel koud, hard en zielloos. In dat stelsel gaat het niet om den ouderwetschen vakman, maar om de snel zich aanpassende ongeschoolde kracht. We moeten den eigenlijken prikkel tot den arbeid weer leeren zoeken in den arbeider zelf. De Christelijke arbeider moet weer leeren, dat arbeid een zegen en niet een vloek, een stuk paradijs en niet een hel is. Spr. merkt voorts op, dat het Taylorstelsel als systeem moet worden verworpen, omdat het is roofbouw op den arbeider, maar vooral ook gevaarlijk zijn de aianloopen tot het eigenlijke stelsel, de controleboeikjes e. d.

De heer M. de J ong (Amsterdam) verzet zich ook met alle kracht tegen het Taylorstelsel. Het maakt van menschen machines. Als de taak moest vastgesteld worden in overleg met de arbeiders, dan zal

Sluiten