Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het onderwerp, in deze bladzijden behandeld, stelt ons nu ten dezen Toor een nuchter feit. Niet voor een theorie omtrent, doch voor het nuchtere feit van den zeer wezenlijken samenhang. Wat hier voor het aardsche, sociale wordt gevergd, is slechts te verstaan van uit een geestelijken bodem en het geestelijke, dat hier wordt vermeld, openbaart zich onmiddellijk als kracht, als zuurdeesem, die alles doordringt.

n.

Het gaat hier toch over de algemeene vraag, hoe de menschheid en hoe groepen binnen die menschheid moeten worden! beschouwd.

Drie antwoorden laten zich hier denken: zij vormen een hoop individuen, zij vormen een machine, zij vormen een organisme.

Wie aan een hoop individuen denkt, gaat geheel uit van den enkeling. Ieder moet individueel werken en louter met zich zelf rekenen. Er ontstaat een concurrentie, menigmaal zelfs een zeer wilde jacht. Waarhij niet kan ontkend worden, dat veel uitbloei van persoonlijke kracht zich vertoont en dus belangrijke resultaten worden verkregen. Maar ter anderer zijde loopt men vast in die jacht, die aan tallooze individuen groote lichamelijke, zedelijke, geestelijke schade berokkent.

Om dit te voorkomen moeten dan alle individuen gedwongen worden in een bepaald gareel te gaan en zich langs een afgebakenden weg te bewegen. Zij worden tezamen, massaal behandeld en worden als een machine gezien, waarbij het algemeene en uniforme werken het eenige is; waarbij voor individueele, afzonderlijke krachtsontplooiing evenmin plaats blijft als voor openbaring van persoonlijke gaven. Alles wordt genivelleerd, ten slotte verdort alles en er gaat weder een roep op om de erkenning van de enkelen', wat neerkomt op een vernieuwd loslaten van het geheel.

Oansch anders staat het, zoo men de menschheid ziet als een organisme. Daar worden) de gedachte aan den enkele en die aan den samenhang vereenigd. Gelijk Paulus in I Cor. XII de christelijke gemeente een lichaam noemde en hare lidmaten leden van dat lichaam, waarhij dus de enkeling zijn plaats vindt zonder dat de samenhang teloor gaat .... xoo vormt ook de menschheid een lichaam en zijn bij die eenheid tegelijk de leden te onderscheiden. Van groepen en kringen binnen die menschheid moet ditzelfde evenzeer worden gezegd.

Bij dezen blik is alle eenzijdigheid onmogelijk geworden. Wie eenmaal heeft gevoeld wat de Profeet zoo scherp geformuleerd heeft: „Hebben wij niet allen éénen Vader? Heeft niet één God ons geschapen?" of wat Paulus heeft uitgesproken! in dat woord: „Als één lid lijdt, zoo lijden al de leden mede" — die kan onmogelijk bij het louter individueele blijven staan. Maar terwijl hij als vanzelf den samenhang en dus in zekeren zin het massale gevoelt, is vermaling of vertreding van den enkele in dit massale evenzeer onmogelijk. Immers, die enkele is door God geschapen; is een lid van het lichaam met eigen taak en1 plaats.

In het tijdvak vóór en tijdens de Fransche revolutie viel alle nadruk oji het individueele. Het heeft zich wel het sterkst geopenbaard in het

Sluiten