Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

seeren beduidt, dat de enkele zich schikken moet, en schijnt dus het tegendeel van vrijheid té beduiden. Maar die „vrijheid" beduidt bandeloosheid en voert in haar gevolg den ondergang van mannen en vrouwen en kinderen medé, de verspilling van tijd en kracht en ontwikkeling, de beschadiging van lichaam en ziel. Daar moest wel worden beschermd en moest plaats zijn voor organisatie en afspraak en meerderheidsbesluit en gehandhaafde wet — in één woord: voor het anti-individualistische.

Maar dit behoeft volstrekt niet te leiden tot dooding van de individualiteit en van de vrije krachten. Het is namelijk mogelijk, dat deze orgar nisatie niet opgelegd wordt van boven af, maar groeit van binnen uit; dat zij uitgaat van het individueele en gedifferentiëerde, om dan met inachtneming van deze elementen het gemeenschappelijke te bouwen.

Deze overtuiging nu is de ondergrond en het uitgangspunt voor hetonderwerp, dat ons gaat bezighouden: De arbeidswereld behoeft eigen organen, omdat zij een organisme is.

Al aanstonds worde echter opgemerkt, dat hierbij niet gedacht wordt aan één organisatie naar één model voor alle tijden. De negentiende en de twintigste eeuw dragen immers een eigen karakter, dat o.m. wordt bepaald door de komst van een' breed kapitalisme, den opbloei van het industrialisme en in verband met die beide het ontstaan en straks de consolideering van den vierden stand. Hier ontstaan dus nieuwe sociale eni economische toestanden, zoodat aan copiëeren zelfs niet kan worden gedacht. Wie met name de regelingen van den gildentijd kortweg zou terug-wenschen, zou daarmede verraden, dat ook voor hem de samenleving niet een levend organisme is maar een doode machine; dat hij aan de mogelijkheid gelooft om het leven) te wringen in een bepaald gareel. Het blijft hier bij het algemeene beginsel en de groote lijn, dat organisatie en organen niet gemist kunnen worden; maar met de mogelijkheid voor. een telkens andere toepassing in verhand met telkens nieuwe toestanden.

Het groote beginsel, waarvan wij spreken, brengt met zich, dat geen heil verwacht kan worden van staatsonthouding om enkel plaats te laten voor het optreden van de individuen. De staat zal moeten ingrijpen, omdat hn' alleen het gezamenlijke kan ordenen, de ordening kan sanctioneeren en bewaren. Maar dit voert weder niet tot een staats-alhemoeienis, waarbij. de enkeling wordt weggedrukt. De staat moet de organen scheppen, liever nog: den groei van reeds bestaande organen aankweeken en leiden; waarna dan van de werking dier organen het overige moet worden verwacht.

Indien van den aanvang af deze dingen waren ingezien en men niet door een valsche vrijheidsleuze zich had laten leiden, dan zou nimmer de individueele ellende zoo groot gegroeid zijn, noch ooit het straffe optreden van den staat zoo krachtig zijn verdedigd.

IV.

In onze dagien is de begeerte naar. zulk een organisatie en zulke organen algemeen. Slechts zelden spruit zij, althans aanwijsbaar, voort uit een positief christelijke overtuiging. Dikwijls is het enkel de macht der

Sluiten