Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geven. In artikel 12 worden voorschriften bij algemeenen maatregel van bestuur gevergd voor den toegang tot de zeeschepen.

VI.

Al deze gegeven voorbeelden bewijzen hetzelfde; namelijk dat de wetgever zijn onmacht heeft gevoeld om alle dingen uniform hij de wet te regelen.

Toch staan de gevallen nog volstrekt niet gelijk.

Waar de patroons of de patroons en de arbeiders tezamen als nieuw orgaan worden aangewezen, ligt daarin een erkenning van de krachten en organisaties, die in het leven zelf zijn gegroeid. Al het overige is surrogaat van een goede regeling, niets meer.

De rechter wordt hier gesteld voor een taak, waarvoor hij niet benoemd is en die eigenlijk een onmogelijke taak moet heeten, omdat de bedoelde artikelen geen aanwijzing geven van hetgeen zij hebben gewild.

En als de Kroon hier optreedt — daarover heeft vooral Mr. Smissaert reeds in „Onze Eeuw" 1904, II 351 gesproken — dan is er immers voor de Kamer geen enkele waarborg, dat hetzij door de Kroon hetzij door de arbeids-inspectie bepalingen zullen worden getroffen en voorschriften zullen worden gegeven ook maar eenigermate in een geest als de Kamer zou begeeren. Bovendien) wordt op deze wijze aan patroons en arbeiders beide alle zekerheid ontnomen, dat een wenschelijke continuïteit in de bepalingen zal blijven heerschen. Zij worden niet, als een verandering op komst is, eenigen tijd van te voren .gewaarschuwd, gelijk dat hij den langen wetgevenden weg wél het geval is; zij kunnen zich dus niet op de nieuwe toestanden voorbereiden. Zij hebben eindelijk niet den allerminsten waarborg, dat door de Kroon of de Inspectie meer zaakkundig de vragen zullen worden beslist dan dat door de Kamer had kunnen geschieden.

Het bleek ons reeds, dat deze bezwaren ten deele zijn gevoeld. Wij denken aan de bepaling in artikel 3 der Hinderwet. Daar behoudt de volksvertegenwoordiging haar recht om tenslotte te beslissen; een stap in de verkeerde richting, omdat de Kamer evenmin bij machte is omtrent de in geding komende vraag eenl zaakkundige beslissing te nemen — maar in elk geval een erkenning, dat het overdragen der verplichting of bevoegdheid op de Kroon een fout is.

Natuurlijk heeft de ervaring meer dan eens hetzelfde bewezen. Ook bij deze soepele wetgeving was men niet tegen mislukking gevrijwaard. Wij noemen slechts het reeds zeer bekende en beroemde — zoo men wil: beruchte — lot van den algemeenen maatregel van bestuur omtrent den arbeid van vrouwen en jeugdigen in de steenfabrieken, die verscheen 21 Januari 1897, veranderd werd Maart 1903, geschorst Mei 1903, gewijzigd November 1903.

De nieuwe toestanden, waarvoor de oorlog ons heeft geplaatst, zullen het probleem nog meer dringend maken.

Ongetwijfeld zal toeneming van de staatsbedrijven worden gezien, de z.g. „socialisatie", waaromtrent Renner met zijn „Verstaatlichung" veel

Sluiten