Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toch erkennen de meesten, dat dit middel onvoldoende en onzuiver is. Zelfs daar wordt deze erkenning gegeven, waar men niet blind is voor de groote gevaren, die aan het instituut der nieuwe organen kleven. Zoo heeft Mr. Levy in 1917 zich om juridische overwegingen tegen deze decentralisatie verzet. Hq eischt toch, dat er één recht zal zijn, geldend voor alle burgers, dat de constitutioneele waarborgen voor de wetgeving blijven werken, dat niet de belanghebbenden zelf wetgever worden. Om deze redenen kan hij onmogelijk een verordeningsbevoegdheid van nieuwe organen aanvaarden. Toch vraagt ook hij bijv. in het „Tijdschrift tegen de Werkloosheid" December 1917, dat speciale lichamen uit de nijverheid zullen worden saamgesteld voor de uitvoering van wettelijke regels; niet — men lette er op — voor die wetgeving, maar dan toch wel voor de uitvoering der wet door personen, die niet in het ambtelijk kader zijn opgenomen, met minder bureaucratische eenzijdigheid en met meer technische deskundigheid. Het is waar, dat zijn betoog speciaal de arbeidsreserven geldt. Maar het is even zeker, dat "het als vanzelf breeder toepassing vergt. Aldus namelijk, dat de wet de regels vaststelt, maar dat de uitvoering der wet gelegd wordt noch in de handen van bureaucraten noch in die van de Kroon, doch van lichamen uit de nijverheid; dat is: dat nóch de willekeur noch de onkunde aan het stuurrad worden geplaatst.

De reeds genoemde Mr. Kranenburg gaat in deze lijn veel verder. In „Vragen des Tijds" 1917, I 125 acht hij arbeidsraden als rechtscheppende organen noodig. En hij verwacht daarvan uitnemende dingen. De plicht toch om onpartijdig te zijn, de plicht om een rechtvaardige oplossing te vinden, om de belangen-taxatie minder van emotioneele en eenzijdige beoordeeling afhankelijk te maken, de rechtvormende taak zelf.... dit alles zal de leden der arbeidsraden noodzakelijk dwingen om de relatieve gegrondheid van de verschillende standpunten nuchter te beoordeelen en de onderscheiden belangen af te wegen. Hij zou daarop als contróle het vernietigingsrecht van het centraal gezag op grond van strijd met de wet of met ^et algemeen belang willen aanwenden en wijst er op, dat dit door de werking van de ministeriëele verantwoordelijkheid in laatste instantie ook aan het parlement nog weder contróle geeft.

Voor deze gansche in gang zijnde ontwikkeling doet zich nu een nieuw, wel is waar zijdelingsch maar uiterst merkwaardig argument gelden, ontleend aan den gang der politieke dingen. Velen toch vreezen, dat de evenredige vertegenwoordiging de kans op zuiver parlementaire kabinetten verkleint; of althans, dat de noodzaak niet zal zijn te ontkennen om op andere wijze dan tot nu toe den goeden gang der dingen te verzekeren, als de Kamer al meer blijkt voor haar taak niet-berekend te zijn. Het zou beteekenten, dat de invloed van het volk juist bij de invoering van het algemeen kiesrecht vermindert. Wie dit betreurt in het belang van echte democratie trachte dan echter niet tegen diezen! stroom op te roeien, die immers toch niet te keeren is; doch hij grave een andere bedding. Immers, hij poge de maatschappelijke krachten zelf in te schakelen in de vaststelling van hetgeen tenslotte regel en wet wezen zal; welke inschakeling van

Sluiten