Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«tellen. De vakbeweging behoeft dan toch geen oogenblik te vreezen voor haar reden van bestaan: zij is niet alleen, gelijk reeds werd opgemerkt, kiescollege; zij is bovendien de aangewezene om voeling te houden met de collega's binnen het eigen vak door het gansche land èn om in verbinding te blijven met de gansche arbeiderswereld.

Van niet minder beteekenis is de vraag, of de regeling moet uitgaan van ieder vak afzonderlijk dan wel van den arbeid binnen een gemeente ais één geheel.

Hierbij moet een verwarrend spraakgebruik weggeruimd worden-. Wij spreken nl. van drieërlei: van vak, van bedrijf, van onderneming. Wat onder vak en onderneming wordt verstaan is volkomen duidelijk, doch de aanduiding bedrijf wordt zoowel voor „vak" als voor „onderneming" gebruikt; daarom wordt zij beter geheel weggelaten, omdat zij geen eigen gedachte vertegenwoordigt. Men lette bijvoorbeeld op de omschrijving der taak van het Christelijk Nationaal Vakverbond, waarin de woorden „vak" en „bedrijf" als gelijkwaardig worden gebruikt. Het beet daar toch, dat het Vakverbond de oprichting nastreeft van vakvereenigingen en vakbonden in die bedrijven, waarin zij nog niet bestaan, en de bevordering van de aansluiting tot een landelijken bond van plaatselijke vereenigingen van het zelfde vak of bedrijf.

Wel blijft de vraag, of de organisatie moet uitgaan van het vak dan wel van de onderneming. Het antwoord schijnt te zijn, dat men moet uitgaan van het vak. Wel is waar is menige onderneming een combinatie van vakken. Maar de moeilijkheid, hoe alsdan de organisaties moeten worden tot stand gebracht en in onderling verband gezet, wordt reeds thans in de practijk opgelost. In de vakbeweging toch wordt meer dan eens door centralisatie een band verkregen tusschen een vak en de „aanverwante vakkenf'. In de tegenwoordige Kamers van Arbeid wordt meermalen tusschen vakken gecombineerd. En in de statistiek van het Centraal Bureau wordt de geheele nijverheid ondergebracht onder zeventien hoofden of bedrijfsgroepen.

Iets moeilijker is de vraag, of er moet worden georganiseerd per vak, dan wel per arbeid in de gemeente. Zal men de vakken1 elk afzonderlijk organiseeren in de gemeente, het district, de provincie, het rijk — of wil men de gansche wereld van den arbeid in het oog vatten binnen gemeente, district, provincie, rijk?

Hier zijn de meeningen' verdeeld.

In de Memorie van Antwoord StHatsbegrooting 1918 hoofdstuk I, dd. 157 November 1917, wenscht de Minister van Landbouw een verdeeling van het rijk in districten, waarbij alle vakken in dat district worden samengebracht. Ook de heer Van Hettinga Tromp meent in zijn „Nieuwe Kamers van Arbeid'', dat een Kamer van Arbeid voor ieder vak afzonderlijk overbodig is. En in zijn laatste praeadtvies heeft Mr. van Zanten feitelijk hetzelfde gezegd. Daarentegen pleit Mr. Fokker voor de organisatie van elk der vakkfèn.

O. i. zal zoowel het één als het ander moeten geschieden; d. i. om met

Sluiten