Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eindelijk nog de vraag van het ā€˛verplichte lidmaatschap". Wij bedoelen dit thans in een anderen zin dan gewoonlijk. Gewoonlijk denkt men hierbij aan een particuliere regeling; een onderdeel van het collectief contract, waarbij patroons en arbeiders zich verplichten) om louter met georganiseerden te arbeiden. Alsdan gaat de geheele kwestie buiten die der nieuwe organen om. Hier denken wij aan den staat, zooals hij van ieder in de wereld van de industrie zal vergen, dat hij zich inschrijven doet voor een bepaald vak of een bepaalde onderneming. Daardoor wordt verkregen, dat allen die het vak samenstellen geregistreerd zijn. Een billijke verkiezing voor de vertegenwoordigende lichamen wordt daardoor zeer bevorderd; en er wordt een aanvang verkregen van de organisatie van het bedrijfsleven. Tegen dit verplichte lidmaatschap kunnen geen bezwaren rijzen, gelijk nog altoos hetzij terecht, hetzij ten onrechte tegen het gewone verplichte lidmaatschap worden aangevoerd. Hier kunnen geen gewetensbezwaren tegen organiseeren opkomen; andere bezwaren, als die van dubbele contributie, dubbele fondsen doen zich niet voor. En hoewel wij zeker thans nog niet ver genoeg zijn gevorderd om reede zulk een registreering naar het vak voor allen aan allen op te leggen, zal de wetgever met deze mogelijkheid in de toekomst, met dit ideaal moeten rekenen.

Zoo vindt dus de staat zijn plaats bij den aanvang: hij schept de organen; maar ook bij het eind: hij controleert de werking; daartusschen-in arbeiden de maatschappelijke vrije kringen. Trouwens, deze hebben meestal ook reeds te voren gewerkt, omdat de organen zijn opgebouwd uit hetgeen door hen reeds was bereikt. De geheele wereld van den arbeid zal zich aldus gezond kunnen ontplooien. Er zal regeling zijn, geen ongebondenheid; maar een regeling, die soepel is en die met kennis van zaken is getroffen. De samenhang van het geheel zal zijn bewaard, terwijl de eigenaardigheid van elk der samenstellende deelen erkend blijft.

XII.

Toch zijn wij nog niet geheel aan het eind. Ook als dit alles wordt overzien, zal de behoefte nog eenmaal blijken aan een geestelijke overtuiging en een geestelijke kracht als voorwaarde daarvoor, dat het sociaalgeordende goed zal werken.

Zooeven herinnerden wij er reeds aan, dat aan de leden zoo goed als aan het lichaam moet worden gedacht. Maar dit is niet de eenige christelijke grondtoon hier. Er ligt, naarmate het gebouw meer zijn voltooiing nadert, te meer een grootsche taak voor allen, die op de zedelijke en geestelijke vorming van ons volk opvoedend inwerken kunnen. Want een organisatie is niet slechts normaal, doch zelfs zonder twijfel volkomen onmisbaar; maar zij is tegelijk heel onvoldoende. Want zij vormt slechts het gareel, het kader, de machine. Met haar is omtrent de vulling van dit kader, omtrent de werking van de machine nog niets bepaald. Hier komt het aan op den geest; een geest, die moet aangekweekt worden, omdat hij niet vanzelf aanwezig is.

Sluiten