Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aangrijpende dingen leert op dit punt een land — wij denken aan Australië — dat in organisatorisch opzicht het volmaakte ongeveer heeft bereikt en dat thans niet slechts zedelijk, maar zelfs economisch dreigt achteruit te gaan; gelijk de uiteenzettingen van Manes en Junghann zeer duidelijk maken.

Wat toch is het geval? Wij wijzen slechts op twee punten ter illustratie, hoewel meer te noemen zoude zijn.

De voortreffelijke organisatie heeft o.m. een regeling van den arbeid gebracht, die uitermate humaan schijnt en alle uitmergeling onmogelijk maakt; de regeling, dat al meer slechts uurloon wordt betaald en het werken op stukloon of het betalen naar geleverden arbeid allengs geheel verdwijnt. Doch deze regeling heeft tengevolge, dat de arbeiders zeer kalm werken om niet te zeggen tot luiheid komen en dat dus de voorziening in de economische behoeften van allen öf niet of althans' zóó weinig geschiedt, dat straks een binnendringen van andere arbeiders niet meer zal zijn te keeren. Eigen inlanders staan evengoed als Japanners gereed om het werk aan te vatten met meer toewijding en minder eischen; en het oogenblik komt, waarop deze vreemde krachten niet langer kunnen worden geweerd. Daarmede zal alles, wat door de organisaties omtrent de arbeidsvoorwaarden is verkregen, volkomen op losse schroeven zijn gezet. De nieuwe krachten toch voegen zich niet in de bestaande organisaties Li en zullen de regelingen met de patroons naar eigen inzicht treffen.

Een tweede punt. De arbitrage-gedachte is tot in alle bijzonderheden uitgewerkt en toegepast, maar het aantal groote stakingen neemt er toe. Het blijkt namelijk, dat men het instituut van de verplichte arbitrage heeft verdedigd, omdat men langs dezen weg wilde komen tot verplicht lidmaatschap en tot uitbouw van de arbeidersorganisaties; dit weder met het doel om te komen tot grootere machtevorming. M. a. w.: de arbitrage is hier niet gezocht om het ideëele motief van recht boven macht, doch slechts in de overweging, dat men aldus zijn macht beter zou kunnen doen gelden.

Deze beide voorbeelden bewijzen, hoezeer een sociale uitbouw tot mislukking voeren moet, wanneer hij niet gepaard gaat met de aankweeking van zedelijk en geestelijk besef. Het besef omtrent de heerlijkheid en de noodzaak van den arbeid, het besef omtrent de majesteit van het recht.

Ook ten onzent is nu en dan gebleken van groote zelfzucht en zelfvoldaanheid en harteloosheid bij arbeiders en! arbeidersgroepen, die door de organisatie zóó ver klimmen konden, dat zij „binnen" zijn, en die dan het besef van roeping tegenover anderen bleken verloren te hebben. Om nog geheel te zwijgen van het natuurlijk verschijnsel, dat in geen geval een regeling, die economisch uitkomst brengt, aan de diepere zedelijke en geestelijke behoeften van den mensch voldoening zou kunnen schenken.

De mensch leeft noch bij brood, noch bij vaste positie op zichzelf. Zoo tlijft de behoefte aan den geest, aan den christelijken geest, die allen

21

Sluiten