Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanblaast en allen doorgloeit; die bezielt om op te komen voor het recht, om den eigen zin te verloochenen; die bezielt om met toewijding op te komen voor de taak; die aldus alleen in staat is om het gareel geestelijk De vullen en het daarmede te maken tot een zegen voor de gemeenschap.

Indien de mensch zal rijn óók in maatschappelijk opzicht „mensch Gods, volmaakt en tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust", dan zal naast de sociale geleding de geestelijke bearbeiding voortdurend onmisbaar zijn.

SAMENVATTING.

1. De samenleving is een organisme. Daarmede is het individualisme en atomisme voor het sociale leven veroordeeld.

2. Het is begrijpelijk, dat tegenover deze onhoudbare strevingen alles van de allés-ordenende en alles-doende staatsmacht verwacht werd.

3. Hoewel aan deze staatsmacht de eigenlijke ordening zal moeten blijven, zal de maatschappij aldus moeten worden geleed, dat maatschappelijks organen voor de verdere uitwerking worden gevormd.

4. Deze organen moeten worden opgebouwd uit hetgeen in de maatschappij, gegroeid is om aldus zooveel doenlijk de werking der vrije krachten te bewaren, zonder te vervallen tot desorganisatie.

GEBRUIKTE LITERATUUR,

Dr. A. Kuyper, Kamerrede 28 en 30 November 1874. Handelingen

1874/75 blz. 345 v.v. Mr. A. Anema, De grondslagen der sociologie. Amsterdam 1900. Mr. H. Smissaert, Wetgeving door het uitvoerend gezag. Onze Eeuw

1904 H blz. 351—377. Mr. M. W. F. Trenb, Organisch Kiesrecht en Eerste Kamer. Vragen

d e s T ij d s 1908 I blz. 213—236. Mr. P. J. M. Aalberse, Liberalisme, Socialisme, Katholieke Staats- en

Maatschappij-leer. Leiden 1909; blz. 289 v.v. Mr. H. Drucker, Kamerrede 31 Mei 1911. Handelingen 1910/11

blz. 2161.

Mr. M. Tideman, Kamerrede 31 Mei 1916. Handelingen 1910/11 blz. 2142, 2159.

E a p p o r t betreffende de werking der Wet op de Kamers van Arbeid enzDelft 1911.

Sluiten