Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ORGANISATIE DER MAATSCHAPPIJ.

Door H. Diemer.

Onder maatschappelijke organisatie wil ik verstaan, dat de verschillende standen, welke betrokken zijn bij het productieproces, dit thans ruim genomen, elk voor zich tot organisatie komen en daarna hun taak onderling gaan verdeelen.

Hoe meer als beginsel erkend wordt, dat de geschiedenis der menschheid uitgegaan is van gemeenschapsbanden en zich daarin zal blijven bewegen, hoe meer een zekere mate van ontwikkeling gemeengoed wordt, hoe sterker dit proces doorwerkt.

De solidariteitsgedachte, die in de samenleving precies het tegenovergestelde ziet van een getal los naast elkaar staande individuen, wint, voortgekomen uit en rustende op den grondslag van het Christendom, evenzeer terrein, als deze nieuwe leer eenmaal deed, toen zij den strijd aanbond tegen de oppermachtige Romeinsche cultuur.

In de Romeinsche Maatschappij beschouwden in den tijd, toen de leer van den Nazarener contact begon te krijgen met de consciënties en even daarvoor, kapitaal en arbeid elkaar als de grootste vijanden. AHer hartstocht ging uit naar de wereld der stoffelijke dingen; van de rijken, om, ware het mogelijk, nog meer te genieten van de tot overzatheid leidende cultuur; van de armen, om de machthebbers in den Staat te bewegen met immer grooter gulheid voor brood en spelen te zorgen. D« arbeid voor het dagelijksch brood was in oneer. Alle handenarbeid was den vrijen man onwaardig. Om het volk slechts aan zich te verbinden en uit vrees voor de soldatesca verbonden de keizers zich aan den derden stand en lieten het benoodigde halen, waar het te halen was: bij de rijken. Van saamhoorigheid was geen sprake; geen sprankel van liefde werd gezien. De klassenstrijd laaide fel op: eenerzij ds de kapitalisten met schitterende woordvoerders als Cicero en Cato, en anderzijds de proletariërs, tot in den dood gehoorzaam aan leiders, als Catilina en Spartacus, die een hemel op aarde voorspelden, als de rijken slechte teruggeslagen werden. En later deze proletariërs zelfs vereenigd in vakorganisaties, op syndicalistische leest geschoeid.

En toen kwam het Christendom, niet met kracht of geweld, maar met het wapen des Geestes. Tegenover het „hatelijk zijnde eni elkander hatende" werd zoowel in de Romeinsche wereld, als op den Areopagus te Athene bet gebod gesteld: God lief te hebben boven alles en den naaste als zichzelven. En toen werd een adellijk stempel gedrukt op den handenarbeid en elk eerlijk beroep; en de slaaf en de heer werdeni, zoo het licht van Golgotha hen omscheen, geliefde broeders in den Heere. Als een zuurdeesem hebban toen de Christelijke beginselen gewerkt, zelfs zonder dwang of overheersching. En toch is er nooit grooter verandering opgemerkt op maatschappelijk terrein; naast het verheffen van den arbeid op een hoog

Sluiten