Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

^onjuist is, als zou de mensen met zijn bezit, met zjjn eigendom, mogen bandelen naar goedvinden. De arbeid zal geheiligd zijn en als einddoel aangewezen, dat God er mede wordt gediend.

Zoo blijft er een verband bestaan tusschen stoffelijk bezit en den Schepper in dien zin, dat verantwoording schuldig is voor het gebruik. Het aardeche leven moet nu beschouwd onder eeuwigheidslicht en het beheer der stoffelijke goederen moet ten principale ook tot Gods eere dienen. Van het gebruik heeft de tijdelijke rentmeester eenmaal rekenschap af te leggen. „Gij dienstknechten! zijt gehoorzaam uwen heeren naar het vleesch. ...; niet naar cogendienst, als menschenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil van God van harte; dienende met goedwilligheid den Heere, en niet de menschen". „En gij heerenI doet hetzelfde bij hen.... als die weet, dat ook u w eigen Heere in de hemelen is".

Gerechtigheid moet aldus betracht worden bij het uitoefenen van het rentmeesterschap. Alle aardsch bezit blijft het eigendom van den Algever. En in stede van zich te verheffen op rijkdom of veelheid van goederen, -dienen deze veeleer tot beproeving van den eigenaar. Hier geldt de zware •eisch voor elk, met veel bezit verwaardigd: over veel gezet, over veel getrouw te znn! Want tegenover den; zegen, welke kan uitgaan van een recht gebruik der in bruikleen ontvangen goederen, staat het allergrootste gevaar van misbruik. De ziel des menschen verpandt zich zoo licht aan goud en goed, tegen de hoogheilige waarschuwing in: „Wordt niet ijdel, als het vermogen overvloedig aanwast, en zet er het hart niet op". Alle gebruik moet getoetst aan de twee groote geboden: God lief te hebben boven alles en den naaste als zichzelven. Op zijn beurt is de patroon ook slechts dienstknecht. Voor hem, zoowel als. voor den arbeider, is het "Koninkrijk der Hemelen van meer waardij dan alle aardsch bezit. „Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid en alle andere dingen zullen u worden toegeworpen".

Kon nU slechts verwacht worden, dat allen, zoowel patroons als arbeiders, handelden naar de hieruit voortvloeiende eischen, zoo was de toestand der Maatschappij g0^ en was geen organisatie noodig. In alle eeuwen zijn er geweest, die geloofden in een tijdperk, waarin de mensch eenmaal door eigen kracht alle bcoze neigingen zou hebben overwonnen, als wanneer het verloren Paradijs opnieuw zijn poorten zou hebben geopend. Hoe meer de eeuwen voortsnellen en geslacht, na geslacht wél toont, hoe er, zonder vasten band aan God en Zijn Woord, steeds een verder afdwalen van dat ideaal ie, hoe steviger de Christenen zullen blb'ken te staan met hun bekentenis: „Op den bodem aller vragen ligt der wereld zondeschuld". De zonde zal den mensch, ook al heeft hij de beste voornemens ten opzichte zijner maatschappelijke taak, altijd lichtelijk blijven omringen. Zonder zedelijke rem is de mensch zelfs het meest hartelooze schepsel. De geheele wereld ligt in het booze, en hoewel dankbaar moet erkend, hoe door Gods algemeene genade er een sparen en een

Sluiten