Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een ander, zü behandelen ieder een andere ontwikkelingsphase, een anderen verschijningsvorm van de maatschappij; Dr. S. de Br. neemt in hoofdzaak in oogenschouw de maatschappij, zooals die zich in de 19e eeuw uit het beginsel der vrije concurrentie ontwikkeld heeft tot dat stadium, waarin allerlei rechtsgoederen van den arbeidenden stand in gevaar bleken gebracht, die den Staat ter bescherming in het geweer riepen. Terwijl de heer Diemer ons een verder stadium teekent, waarhenen althans enkele maatschappelijke gebieden zich bereids ontwikkeld hebben, dat de maatschappij uit eigen kracht, met geen andere rechtsvormen ten haren dienste, dan bij de individualistische maatschappij waren gelaten, een grootschen bouw heeft ondernomen, waardoor de rechtsgoederen, waarvoor de Staat in het geweer kwam, rechtstreeks veilig zijn gesteld, maar — dit moge er aanstonds bijgevoegd worden — andere problemen blijken opgeroepen, die den Staat voor een gewijzigde, maar zeker niet minder ernstige taak stellen.

Ik spits deze onderscheiding toe, omdat naar het mij voorkomt, ieder van deze ontwikkelingsphasen, die als bij iedere evolutie zoowel opvolgend als naast elkander optreden, m. i. met betrekking tot de in de referaten behandelde vragen een eigen beschouwing vergt.

Prof. S. de Br. dan heeft ons opnieuw geteekend hoe in den loop der ontwikkeling de arbeider in de knel kwam. Hoe de Staat krachtens zijn roeping tot optreden werd gedwongen. Maar ook hoe hij daarbij ernstige moeilijkheden ondervomdi, die tot het zoeken naar „nieuwe organen" drongen. En dan, hoe voor die organen de maatschappelijke krachten zelve geëigend schijnen.

Wat is nu tegen die laatste gedachte, die toch voor de hand liggend schijnt, steeds de principiëele bedenking geweest? Deze, dat men een tegenstelling tusschen Maatschappij en Staat groef in dezer voege, dat de maatschappij moest worden beschouwd als een uit individueele en daarmede uiteraard eenzijdige strevingen samengestelde structuur. Alle organisatie, uit de Maatschappij opkomend, moest daarvan den stempel dragen. Hoe kon dan een dergelijke organisatie geschikt zijn voor de rechtsvorming, die immers juist ton te uiteenloopende, elkander doorkruisende, individueele. en groepsbelangen verzoenende taak opleverde? Het maatschappelijke streeft juist naar verwezenlijking van individueele- en groepsbelangen, tegenover die maatschappij vond juist de Staat in een onpartijdig afwegen van die belangen zijn roeping. Men kan, dunkt ons, een zeker recht van dit principiëele 'bezwaar niet ontkennen. Dan behoeft nog niet aanstonds aan klassenstrijd te worden gedacht. Evenmin aan egoïsme, dat — we hebben het van Prof. Diepenhorst Dinsdag nog gehoord — van de behartiging van het eigenbelang, en ik zou er vooral bij willen voegen: van het gezinsbelang, onderscheiden is. Er behoeft misschien zelfs van niet meer dan van onbewuste eenzijdigheid sprake te zijn. Ook bedenke men, dat die beschouwing, constateeren, niet waardeeren van de feiten bedoelt. En toch — en dat heeft Prof. S. de Br. m. i. zoo juist gedaan — moet daartegenover worden gehandhaafd, dat die tegenstelling geen richtsnoer mag zijn. De maatschappij behoort — om de op zoo sublieme wijze door Tönnies ontwikkelde tegenstelling althans in de terminologie te volgen — geen „gesellschaft", maar een „gemeinschaft" te zijn. Zij kan dat zijn. Zij moet principieel voor de rechtsidee vatbaar worden

Sluiten