Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geoordeeld. Van een roepen tot medewerking aan de rechtsvorming kan daarom sprake zijn en juist ook daarom moet daarop hét streven gericht zijn, omdat die roeping tot medewerking voor het kweeken van den gemeenschapsgeest een opvoedende factor van hooge waarde is. Daaraan zou ik dan nog tweeërlei willen toevoegen: allereerst die, dat met des te meer vrijheid op de maatschappelijke krachten voor de rechtsvorming terzake van de arbeidsvoorwaarden een beroep kan worden gedaan, omdat de andere term der bovenontwikkelde tegenstelling, de boven de maatschappij verheven Staat, toch wel tot het rijk der idealen is verwezen. Een uiterlijk boven de maatschappij staande rechtsvorming is onmogelijk geworden. Een rechtsvorming, die een harmonie van belangen uit die belangen zelve doet opkomen, is de misschien gevaarlijke, maar in onzen democratischen tijd eenig mogelijke weg. En daarbij komt dan nog een tweede punt: de rechtsbelangen, die in deze phase van de maatschappelijke ontwikkeling in het geding zijn, de rechtsgoederen van gezondheid, veiligheid, e. d. spreken toch wel zoodanig tot het rechtsbewustzijn, dat met eenig vertrouwen een beslag daarvan op de geesten mag worden verwacht.

Anders staat het met de maatschappij, door den heer Diemer ons beschreven. We zien daarbij een maatschappelijke organisatie, waardoor de belangen, die den Staat, naar wij zagen, tot zoo moeizame zorg riepen, buiten den Staat een voldoende regeling vinden. Daargelaten echter de vraag, of die regeling een rechtsregeling, dan wel een machtsevenwicht is, strekt die maatschappelijke organisatie, en zulks juist om die regeling der arbeidsvoorwaarden mogelijk te maken, veel verder. Zij wordt een regeling van het bedrijf zelf. In plaats van vrije concurrentie treedt straffe organisatie. Hier dreigen ernstige gevaren. Mr. Veraart heeft ze in zijn 'bekend geschrift uitvoerig geteekend. Gevaren, die wij niet zoo zwaar tellen, omdat wij ze nog niet ondervonden hebben en daarentegen wel de gebreken van het oude stelsel. Nu roept men daartegenover ook weder den Staat in het geweer. Maar wordt hem daarmede niet een oneindig veel zwaarder taak opgelegd, dan toen de arbeidsvoorwaarden in het spel waren? Daarvoor bleek hij niet geoutilleerd, zal hij het voor deze taak wel zijn? Men denke b.v. slechts aan de prijsvaststelling. Komt dan weer niet de .vraag naar „nieuwe organen"? En zal de maatschappij daarvoor de krachten kunnen leveren? Het gaat over veel minder algemeene onderwerpen, ten opzichte waarvan het bedrijfsleven in zijn geheel even weinig deskundig zal zijn als de Staat. En het gaat over veel minder tot het rechtsbewustzijn sprekende belangen. De tijd laat niet toe een en ander nader te onwikkelen en ik haast mij dus tot mijn conclusie, die een terugkeer is tot mijn uitgangspunt. Ik zou willen vragen, of de ontwikkeling, die de heer Diemer ons heeft geschetst, niet een overspanning is van wat de maatschappij, in zijn stelsel immers principieel door het behoud van het individueel© winstmotief individualistisch blijvend, zichzelve geven kan? Of de goede dingen, die de economische bedrijfsorganisatie, speciaal ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, heeft, niet voor te hoogen prijs worden gekocht, omdat de daartoe noodige 'bedrijfsregelingen, om dat behoud van het individualistisch grondprincipe, zoo vol gevaren zijn. Is wellicht niet beter de practische werkzaamheid samen te trekken in plaats van op een organisatie, als den heer Diemer voor-

Sluiten