Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

merkt op, dat als alleen.' de industrie ware behandeld en daarvoor nog alleen weer het loonvraaigistuk, men er toch wat aan zou hebben gehad voor andere takken van arbeid. De vraag is, of de dingen moeten opkomen uit den staat of uit de maatschappij. Het is een teere quaestie, maar geen principiëele quaestie. Het gaat om een kwestie van meer of minder. Spreker gaat nog niet zoover, dat hij de ongeorganiseerden zou willen negeeren, maar hij meent, dat den ongeorganiseerden het Damocleszwaard boven het hoofd moet hangen. Anderen gaan nu wellicht reeds verder, maar daaraan doet spreker niet mee. Hij acht het noodzakelijk, te komen tot verbindend verklaring van de collectieve contracten. Of men daartoe komen kan hangt af van het getal van de georganiseerde patroons en arbeiders. Dat de nieuwe organen eenigszins gekunsteld zullen zijn, acht hij geen bezwaar, omdat die gekunsteldheid ook nu reeds bestaat. Men organiseert ook nu reeds vaak vakgenooten en menschen uit aanverwante vakken.

Begrijpelijk vindt spreker den angst voor concurrentie tusschen wat uit den staat en uit de maatschappij opkomt. Dat is ook een teere quaestie, maar ook weer een quaestie van meer of van minder. Wat van onder opgroeit moet de toekomst hebben. Wat van boven af komt moet slechts bij noodzaak en tijdelijk opgelegd worden. Voelen we de zaken christelijk, dan zien we ze altijd sociaal. Maatschappij en staat zijn beide sociaal. Spreker vindt het niet noodig, in zijn stelling de woorden „naar christelijk principe" in te voegen, zooals Ds. Koffyberg wensdhte, omdat wat deze spreker wilde ligt in den aard der zaak; anders zou ons christelijk leven worden doodgedrukt.

Tegenover de opmerking van den heer Gussinklo wijst spreker er op, dat een organisatie van patroons of van arbeiders niets heeft te maken met strijd. Zijn het strijdorganisaties, dan zijn ze bedorven. De bedrijfsorganisatie zal ook geen strijd geven, maar eenheid. Als de christelijke patroons werken als een zuurdeeg in ide groote organisatie, maken zij het zich zeer moeilijk, tenzij ze zich ook onderling weer organiseeren. Dan blijkt trouwens soms wel, dat er meer zijn dan men denkt. In elk geval acht spreker een eigen organisatie het meest gewenscht. (Applaus).

Voorts wijst spreker er nog op, dat wie in Nederland het collectief arbeidscontract beoordeelt naar wat in de graphisohe vakken plaats vindt, eenzijdig is. De staat zal voorts event. ten deze moeten ingrijpen. Erkent de staat eenmaal, dat de patroons niet verder gaan kunnen dan ze doen, dan zal er toch ook van socialisatie van bedrijven niets meer verwacht kunnen worden. Ten slotte gelooft spreker, dat het individueele en de individu alleen dan bewaard kunnen worden en tot hun recht kunnen komen als de organisaties krachtig worden uitgebouwd.

Hierna wordt de vergadering besloten met het zingen van Gezang 2 : 5 en dankgebed.

Zingt, aard' en hemel! zingt uw Heer! Het driemaal heilig meld' zyn eer!

Zingt Hem op hooge tonen!

De lof van God vervul' 't heelal. Die is, die was, die komen zal,

En onder ons wil wonen. ■

Sluiten