Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beleefd en om als het mogelijk is even heel kort een zeker uitzicht, een zeker perspectief te ontvangen.

Ik ga trachten, op zulk een wijze mijn slotwoord in te richten. Dan moet ik, als ik terugzie, natuurlijk eerst terugzien naar de openingszitting, toen wij hier van de bestuurstafel zes excellenties vlak voor ons zagen zitten .Wij zijn dus blijkbaar een' „interessant" gezelschap, anders komen er geen zes excellenties tot ons. Laat het ons hier onder elkaar erkennen: wij vinden het verbazend aangenaam dat er zooveel notitie van ons genomen werd.

Daar is meer. Hier van de bestuurstafel heeft het denk ik allen getroffen, getroffen, dat wij stonden tegenover zulk een geweldig volle zaal, opgepakt in de openingszitting. En het is ons blijven treffen, dat wij in alle zittingen een volle zaal hadden; niet een verloopen van de vergaderingen, niet een aanwezigheid alleen, wanneer er iets merkwaardigs zou zijn; maar een voortdurend v|oortreffelijke opkomst, oplaat men samen werken wilde.

Nog iets. Wij hebben zeer veel discussies gehad, maar absoluut niet te veel; en een discussie, die voortdurend gestaan beeft op het peil, dat wij begeerden.

Wij hebben een schoon congres achter den rug.

Maar als ik zoo iets zeg, dan krijg ik een gevoel, dat ik nu genoeg gezegd heb van het mooie en dat een schoon congres van God ontvangen beteekent: door God gezet te worden midden in den ernst. Ik kan wel voor de aardigheid zeggen, dat wij met zes excellenties in onzen schik zijn; maar ik bedoel toch eigenlijk, om op uw en mijn eigen geweten de overtuiging te leggen: dan moeten wij hier voor zeer gewichtig werk zijn samen geweest en dan mogen wij niet van hier gaan, zonder de overtuiging, dat er een zeer groot werk blijft liggen om te doen.

Waarom?

Ten eerste omdat wij staan voor zulke groote nooden.

Als ik daaraan denk; als ik denk aan wat telkens op het congres tot uiting kwam, dan zie ik voor mij een groot ouderwetsch gebouw tegen den schemeravond'; wij komen in de eerste kamer daarvan en hebben eenige moeite, om ons daar thuis te voelen, omdat wij in den schemer de lijnen niet onderscheiden kunnen. Eindelijk zijn onze oogen aan het half-donker gewend!. Maar helaas, dan zien wij een deur; wij stoeten haar open en komen in een tweede half-donker vertrek; waar wij weder aan den schemer moeten wennen, totdat wij het heele vertrek goed kunnen zien. En, helaas, dan is er weer een deur en altijd opnieuw komen wij van de duisternis in de duisternis. Daar staan de groote nooden!

Het heeft mij getroffen, dat ook bij die onderwerpen van het congres,

24

Sluiten