Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarbij het er niet op aan Ikwajm in de eerste plaats de nooden te peilen — dat ook daar telkens het besef van de ontzaglijke moeilijkheden in ons maatschappelijk leven, het besef van het groote juk, dat op zoo talloos velen drukt, uitglimpte of maar boven sprong. Wat zich niet vooruit aanmeldt en opeens zich naar buiten wringt, spreekt met dubbele spraak.

Daar komt de tweede deur bij. Zoodra wij thuis zouden zijn in de toestanden — gesteld, dat iemand thuis zou kunnen zijn in de toestanden — dan zijn wij er niet, maar dan komen de vragen. En welke vragen brengen de toestanden met zich? Daar is de vraag naar de oplossing; er zijn twintig vragen om oplossing in verband met één enkelen toestand reeds.

Wij zijn er nog niet, ook als wij ons bewust zijn van alle vragen. Dan gaat de volgende deur open. Indien eens alle vragen waren opgelost en indien, wat onmogelijk is, alle regelingen waren getroffen, dan stonden wij nog voor een veel groote re kamer in het half-duister. Want ten slotte doen de antwoorden het niet en de organisatie het niet, maar komt het op den geest aan, op den geest in den enkele en den geest in allen. Hoe vinden wij dien geest?

Ik spreek over de groote vragen, doe er zijn; ik grijp er maar een enkele: wat is de positie van de vrouw èn in het eigen gezin èn in de groote maatschappij? Hoe moeten wij over de taak van de gehuwde vrouw oordeelen? Hoe moeten wij oordeelen over haar roeping!, als zij ongehuwd is? Ik behoef maar te herinneren aan de breede en diepe discussie die wij daarover hebben gehad, om u tot bewustzijn te brengen, dat het in deze kamer vol is van vragen, veel meer vol van vragen dan van antwoorden.

Daar is de vraag, hoe wij in het maatschappelijk leven den mensch bewaren kunnen. Waarom greep ons — ik gebruik weer dat woord; al is het niet zuiver, het is toch helder — de „Taylor" kwestie zoo aan? Omdat wij zeggen: in den uitbloei van de industrie mag de mensch niet ten onder gaan. Terwijl wij bezig zijn, het pleit te voeren voor allerlei organisaties, hebben wij hier in de discussies gevoeld, wat alle organisaties onophoudelijk voelen in haar organisatieleven: wij kunnen de organisatie niet missen, maar wij moeten den enkeling niet laten ondergaan in het midden van de organisatie.

Ook hier is er nog iets; iets, dat ditmaal niet op het congres aan de orde kwam, maar zoozeer in het verlengde ligt van wat ik noemde, dat ik het toch in de samen vatting even aanwijzen wil.

Wij staan tegenover de vraag, hoe wij den mensch bewaren daar, waar hij niet ondergaat in de organisatie, en daar, waar hij niet vermalen wordt in de industrie; daar, waar hij krijgt volkomen vrijen tijd-

Sluiten