Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij zijn op weg naar een belangrijke verkorting van den arbeidsduur. Zijn wij er nu? Of moeten wij leeren; moeten misschien wij, Christenen, het leeren met een extra-intensiteit, omdat wij het door het Evangelie het best gevoelen en opdat wij in de groote wereld het zeggen kunnen — dat ook in de uren van den vrijen tijd de mensch mensch moet wezen en dat wij den mensch niet hebben, als wij hem hebben met een gaaf, ongebroken en niet-uitgeput lichaam. Dat is ongetwijfeld noodig; maar het is de mensch niet. En dat wij ook den mensch niet hebben, als deze mensch wat genot kan hebben, wat verkwikking, wat genot van lageren rang. Het is noodig; maar het is de mensch niet. En dat wij er zelfs niet zün, wanneer het ons gelukken mag, ook in onze arbeiderswereld zooveel ontwikkeling te brengen, dat ook de groote arbeiderswereld lust en smaak kan krijgen in hooger genot, hooger letterkundig genot, hooger kunstgenot. Wü gelooven, dat dit om den mensch te ontplooien en den geest te ontwikkelen, dien God ons ingeschapen heeft, onmisbaar is. Maar als wü daar rijn, zün wij er niet; want wü hebben een ziel! En ik denk aan het woord van Ds. van Wük in de Nieuwe Kerk: de ziel, dat allerachterste, dat eeuwige, hoe zullen wü den mensch bewaren met rijn lichaam en zün geest en zün ziel?!

Nog een vraag. Hoe zullen wü de arbeidsschoonheid bewaren? Een enkele maal is hier dat woord gevallen: arbeid is een stuk paradqs. Dat moeten wij vasthouden; als wü maar daarbü bedenken, dat het niet mogelijk is, in deze bedeeling het te zeggen zonder huivering. Daar rijn toestanden, waardoor het niemand mogehjk is, een stuksken paradijs te ontdekken in den arbeid, zooals hü nu geworden is. Er zijn arbeidsvoorwaarden, waaronder nog menigeen dient, waarWj het ter wereld niet mogelük is, te spreken van een lust.

Er is ook hier weer een tweede. Het komt er niet alleen op aan, dat men de schoonheid van den arbeid kan zien aangegeven in de arbeidsvoorwaarden; het is ook noodig, dat wij de schoonheid' van den arbeid zien willen en onze toewüding geven. Daar is op dit congres, puntig en geestig, een woord gevallen over de ambtenaren; daar is betwüfeld, of ieder ambtenaar, hoofd voor hoofd, altijd werkt in louter toewüding. Ik denk, dat degenen onder ons, die geen ambtenaar zün en wel zelfkennis hebben, zullen inzien, dat rij dit vonnis óók voor een stuk verdienen; ik weet niet, of wij allen leven in groote toewüding voor ons werk. Maar ik ben overtuigd, dat wü leeren moeten, als wij onze sociale roeping zullen verstaan, om de schoonheid te zien van het arbeiden, omdat het arbeid is en omldiat God het ons in deze wereld te doen geeft.

Doch ik kan dat niet zeggen', zonder op een nieuwe moeilijkheid te stuiten. Het is de moeilükheid, die ik even met een woord typeeren wil — het woord is ook hier gebruikt — het is de zag-zag-kwestie. Ja, als

Sluiten