Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

engel der wrake, die een hartelooze maatschappij haar onbetaalde rekeningen voorhoudt en haar rekenschap komt vragen van haar zelfzucht en haar schijn; en ook enkelen zien er een bode Gods in, die aan Zijn volk en aan alle volkeren wat te zeggen heeft en hun eene taak aanwijst.

In een geleerd werk over de philosofische ethiek handelt een buitenlandscheschrh'ver ook over het verschijnsel dat „pessimisme" heet; dat is de wereldbeschouwing van de moedeloosheid en wereldverachting; de bewering, dat deze wereld de slechtst mogelijke van alle werelden is: zóó slecht, dat „in het geheel geen wereld" nog beter ware. En wanneer hij dan die bewering rustig onder de oogen ziet, heeft hij eene merkwaardige opmerking, en zegt: nu moet men niet voorbijzien dat deze theorie eigenlijk een begeleidend verschijnsel is van oververzadiging en levenszatheid. Menschen, die te weinig echte zorgen hebben, worden pessimisten; en volkeren, wie het te goed gaat, evenzeer. En hij voegt er dan eenige woorden bij, die men in en buiten Duitschland nu zeker niet zonder ontroering zal kunnen lezen: „wie weet hoe spoedig ons Duitsche volk weer door diepe wegen zal moeten gaan, waarbij het zich dan weer zal bezinnen op zijne wezenlijke en blijvende goederen."

De opmerking trof mij; dit boek is twintig jaar vóór dezen oorlog geschreven. Maar mogen we een oogenblik stilstaan bij de gedachte dat tijden van grooten voorspoed en verzadiging een gevaar medebrengen, dan zou de gevolgtrekking allicht niet gewaagd zijn dat in tijden van nood en druk een zegen is verborgen; een zegen voor een volk en voor den enkeling; deze zegen, dat wij een oog ontvangen voor de heerlijkheid van hetgeen ons niet kan ontnomen worden en dat wij ons bezinnen op de rechte waardeering van onze blijvende goederen.

Indien dit zóó is, dan daagt dit Tweede Christelijk Sociaal Congres voor ons wel op een geschikt oogenblik. Want de tijden zyn zwaar en nu is er zeker moeilijk een volk aan te wijzen dat te weinig nood en te weinig zorgen heeft. Ons volk althans niet! Wij zn'n buiten den oorlog gebleven; maar we zijn niet zonder binnenlandsche vijanden en niet zonder groote gevaren. Men spreekt van vrede, maar de wereld kookt van haat. Donderslagen vallen in het dorre hout. Jammerkreten klinken door de wereld, en daar! is verblinding die ontzetting wekt. De algemeene verbroedering wordt uitgestippeld op papier; maar is er in de practijk alleen „in getemperde vorm" en ondertusschen komt de revolutie in haar afschrikwekkendste gedaante al nader en niemand weet wat de komende weken brengen zullen.

In deze dagen noodigt het Tweede Christelijk Sociaal Congres „alle mannen en vrouwen van Nederland, die Christus Koningschap alom erkennend, bij het licht van de Heilige Schrift als Gods Woord de oplossing der maatschappelijke vraagstukken zoeken."

De nood der tijden brengt die mannen en vrouwen hier samen, en doet ons alle onderlinge verschillen vergeten voor het ééne, groote belang, dat ons samenbindt; en zooals de druk der arbeidende klassen in de vorige eeuw den verzamelkreet deed geboren worden: „proletariërs van alle landen, vereenigt u!" zoo roept nu, in den nood der tijden, wie de teekenen der tijden verstaat: „Christenen

Sluiten