Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zestien jaar! De Christenen hebben meer kracht te betoenen op 't terrein van het zedelijk leven. Niet in eijgen kracht, maar 'in de kracht van Hem, Die gezegd heeft: „Wie Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben."

Deze met aandacht gevolgde rede oogstte warm applaus.

Inmiddels was in een der kleine zalen van 'het gebouw onder leiding van den ondervoorzitter van het Congres, Prof. Slotemaker de Bruine, een bijvergaderinlg gehouden, waarin Ds. C. F. Westermann, van Amsterdam, een uiteenzetting gaf van de beteekenis en den zegen van den rustdag in het algemeen.

De Zondag is in de zeven dagen der week niet iets afzonderlijks, maar deelt zijn zegen mede ook aan de andere dagen der week; zooals de zon haar licht aan de maan mededeelt, zoo deelt de Zonda|g zijn zegen mede aan den Maandag en vervolgens aan de overige dagen. Alleen als op den Zondag Zondagsrust mogelijk wordt gemaakt en genoten, beantwoordt hij aan het drieledig doel, een versterking! en verkwikking en zegen te zijn voor het lichamelijk-, het geestelijk- en het flre^wsleven.

Daarom strijd tegen alles wat Zondagsrust belemmert. Maar dan ook: de mensch die den Zondag vrij heeft, moet bewaard en beschermd worden tegen zichzelven, opdat de zegen van den Zondag door hem niet verdarteld worde in allerlei ijdel vermaak en verstrooiing. De Zondag toch behoort aan den Heer. Des Menschen Zoon een Heer van den sabbath, dat zij onz leuze. Gepaste ontspannng is geoorloofd, als zij maar niet worde gezocht in allerlei uitspanning, die ten slotte tot een inspanning wordt, die de nieuwe week vermoeid doet begpinen. Ook hier gelde als norm en richtsnoer voor het geweten: 't is alles het uwe, maar — gij zijt van Christus!

Nadat deze rede, die met belangstelling gevolgdl werd, geëindigd was en de aanwezigen door applaus hun dank hadden betuigd voor het gehoorde, vereenigden alllen zich weer in de groote zaal.

Het koor zong nu weer een paar liederen: „Lau date pulri" van

F. Mendelssohn en „Gott meine Zuversicht" van F. Sohubert, waarop een half uurtje genoegelijk gepauzeerd werd. Bij het einde der pauze zong het koor nog Réné de Glercq's „Een dag", cyclus van H. Zagwijn, „Soleil" van E. Baten en „Le manage ide Marion" van T. Klingson en

G. Pierné. Hiermede was de taak van het telkens hartelijk toegejuichte koor ten einde, ook die van Mej. Nova de Wal, de pianiste, die aan het klavier ijverig had medegewerkt om de uitvoering te doen slagen.

-Het woord was nu aan Dr. B. Wielenga van Amsterdam, om te spreken over:

De plaats en de roeping der vrouw in het Koninkrijk Gods.

Wie op een „gezellige bijeenkomst'', gelijk deze vergadering in het program genoemd wordt, spreekt over de vrouw, behoeft zich wegens zijn onderwerp niet te verontschuldigen, want, hoewel eenigszins oneerbiedig, heeft toch terecht Vader Cats de vrouw genoemd: een gezellig dier.

Alleen is het misschien eisch van hoffelijkheid, dat iedere man, die

Sluiten