Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in bet leven. Hetzij wij in blind conservatisme de vrouw afhouden van wat haar van rechtswege toekomt, hetzij wij in dartel radicalisme haar een kroon geven, die haar niet past, of in den weg van zuivere evolutie haar ruimte geven voor de exploitatie van haar talent, — de Kerk zal ook hier blijken te zijn het Sion vanwaar de wet, het Jeruzalem vanwaar het woord uitgaat.

Maar zijn wij 'het eerst eens over de grondbeginselen, die God in het Woord omtrent de positie der vrouw in het leven zelf vaststelt? Mij dunkt, zij zijn niet moeilijk te onderkennen. Er is een fondamenteel beginsel, hetwelk wij scheppingsordinantie noemen, en dat neergelegd is in het Woord: „En God schiep den mensen naar zijn beeld, naar het beeld van God schiep Hij hem1: — en nu staat er in onze Statenvertaling een dubbele punt, d.w.z. nu komt de verklaring wie die mensch is — man en vrouw schiep Hij ze. Man èn vrouw ieder een individu en tezamen de sociale gemeenschap, het huwelijk, de kleinst en fijnst denkbare vorm van de maatschappij, ook van de kerk als organisme. Het ware socialisme een vrucht van de ware individualiseering. De mensch een twee-eenheid. De vrouw wel ten deele zwakker, ten deele afgeleid en afhankelijk: Manninne, doch niet onder, maar tegenover, — gelijk het in eene andere vertaling luidt: rondom den man; niet minder, maar anders dan de man, een grondvariatie van het schepsel mensch, tezamen met den man de ééne mensch! Wie dat eigene en tevens gelijkwaardige msensch-zijn van de vrouw miskent, komt er toe om öf als Stuart Mill de vrouw te vermannelijken öf als Bebel de vrouw boven den man te verheffen, öf, gelijk men beweert van sommige Bolsjewieken in de Olga-Bepubliek, de vrouw in den weerzinwekkendsten zin van het woord tot een publieke vrouw te verlagen.

De vrouw moet zijn overal waar ze komt, en bij al wat ze doet, de mensch-vrouw, de vrouw-mensen, meebrengend, uitstralend, het ewigr weibliche, dat is laten domineeren, hetgeen waarin zij waarlijk groot is, het hart, — regeerend op haar terrein: het huis, — het huwelijksformulier vermaant: op uwe huishouding goed acht hebben, — en invloed oefenend in haar sfeer: de moraal.

De eigenlijke onderworpenheid der vrouw in het huwelijk is geen scheppingsordinantie, maar uitwerking van de vloekstraf op de zonde; eerst na den val is het: Hij zal over u heerschappij hebben, — maar daar volgt ook uit, dat met het opheffen van den vloek door den vrijheidsheld, den Zoon des menschen, de scheppingsordinantie weer ten volle kracht heeft, — het wordt nu: Christus zal over u heerschappij hebben, één is uw Meester, en waar het Koninkrijk Gods komt, hetzij tot het in veelwijverij, levend Israël, hetzij tot de dierlijke negers, of de verfijnde Boeddhisten, daar wordt de gevangenis der vrouw geopend en der gebondene vrijheid uitgeroepen. Het christendom zegt niet met zoovele woorden tot de vrouw: gij zijt vrij! — evenmin als het dit den verdrukten arbeider en het geknechte volk gezegd heeft, maar het geeft een vrijheidsbrief tot emancipatie, het zaait de vrijheidskiem, die op Gods tijd uitgroeit en ruischt als de cederwouden van Libanon. De roeping der vrouw blijft vrouwelijk, haar plaats is allereerst in wat Dr. Kuyper in zijn „De eerepositie der vrouw" noemde: „de binnenzijde" van het leven. Haar zaligheid is kinderen te baren, en zelfs in den geweldigen crisistijd' van het om zijn leven worstelend jong-ohristendom

Sluiten