Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook de zachtmoedigheid en de vredelievendheid waren deugden, vreemd aan de Bomeinsche zeden — maar deze deugden konden in haren oorsprong en beteekenis nog worden misduid. De zachtmoedigheid kon zwakheid zijn; de vredelievendheid vrees. Zachtst geoordeeld,, had de trotsche en strijdlustige Romein voor deze deugden slechts een medelijdenden glimlach — zoo niet een verachtend schouderophalen — maar met ongeveinsde verbazing en oprechte bewondering aanschouwde de heiden de Christelijke barmhartigheid.

Het is heden niet anders dan vóór 19 eeuwen. Echte barmhartigheid waarbij het hart zidh opent en de ziel van den barmhartige zich wendt tot de ziel van den ongelukkige, helpend en doelend zijn lijden, helpend en troostend — echte barmhartigheid is nog altijd de eerste der deugden, welker waarde niet is te schatten, omdat zij zoo sterk is, sterker dan het leven, sterker ook dan de dood.

Maar waar is de barmhartigheid? Is zij er nog wel? Zeker, de barmhartigheid leeft en werkt nog. Maar zij werkt meest in stilte en onopgemerkt. Hetgeen gaat van mensch tot mensch ontsnapt aan de waarneming van hem, die buiten staat. In het georganiseerd1 maatschappelijk leven — zelfs in het georganiseerde leven der Christelijke Kerk — wordt zoo weinig gezien van echte barmhartigheid.

Waarom is dat zoo, waarom kan het zoo moeilijk anders? Het ligt aan den weldoener, het ligt aan den beweldadigde, het ligt aan de zeer samengestelde maatschappij. De maatschappij der 20e eeuw biedt zoo weinig gelegenheid voor persoonlijke aanraking, die toch de onmisbare voorwaarde is voor echte barmhartigheid.

Bovendien: die wil weldoen heeft zijne dagen zoo bezet voor zichzelf en de handen zóó vol met allerlei werk voor zichzelf — en de beweldadigde is vaak zoo ontoegankelijk, niet zelden onvolgzaam en onoprecht.

Het werd eisch van goed verstand en practisch werken, reeds in de eerste eeuwen van het Christendom, dat de persoonlijke barmhartigheid terugweek voor de georganiseerde weldadigheid. En naarmate de bevolkingen toenamen in getale en de armoede zich in scherper vormen toonde, moest de georganiseerde weldadigheid het opgeven tegenover de gereglementeerde armenzorg — en niet zelden zag men deze ontaarden in de sombere bedeeling, vreemd aan elke gedachte van individueele zorg en persoonlijk liefdebetoon.

De barmhartigheid biedt weinig) gevaren; omdat het voorwerp harer werkzaamheid niet is de maag, het lichaam — maar de ziel des armen.

Maar de gevaren der instellingen van weldadigheid en armenzorg zijn groot, zoowel voor den armvérzorger, als voor den arme.

Moge, door de trouw en volharding van de besten der armverzorgers, de machinale bedeeling vrijwel uit Nederland zijn verdreven — toch is hiermede het gevaar der armenzorg niet overwonnen.

Het gevaar van liefdadigheid en armenzorg ligt niet in de afhankelijkheid, waartoe zij den beweldadigde zouden brengen. Een goed armvérzorger — en er zijn vele goede armverzorgers —1 gruwt van die afhankelijkheid.

Het gevaar ligt daarin, dat men zioh er aan gewent het noodige voor het levensonderhoud te ontvangen, zonder het zelf te verdienen. De arbeid is een voorrecht. Het besef, dat men door eigen arbeid voorziet in het onderhoud van zich en de zijnen, is een ervaring van groote

Sluiten