Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den, die niet in loondienst arbeiden. De werkloosheidsverzekering moet meer terrein veroveren. Moederschapsverzekering en steunver zekering voor de groote gezinnen moeten worden ingevoerd. Dit alles, kan. En het zal ook komen; echter op één voorwaarde: dat men ophoude met elk stelsel van gratis uitkeering van staatsgelden, met hoe schoonen naam ook genoemd.

Verleening van Rijkssubsidie, tot een beperkt bedrag, wordt 'hierdoor niet uitgesloten.

Maar moet de sociale voorzorg de barmhartigheid dan verdringen? Dat zij verre. Juist door den opbloei der sociale verzekering zal de ware barmhartigheid ruimte verkrijgen en zal zij uitblinken in schoonheid en kracht. De barmhartigheid zal zich kunnen bepalen tot die werken, welke naar 'hunnen aard inderdaad tot hare taak behooren. Door het onafzienbaar terrein, van den socialen nood bij valide volwassenen, te brengen onder de bearbeiding der sociale verzekering, zal de barmhartigheid echte barmhartigheid kunnen blijven en zal zij onttrokken worden aan het gevaar te dalen tot weldadigheid, te verkoelen tot armenzorg, te verschrompelen tot bedeeling.

Die zijn volk liefheeft, boude onwrikbaar vast het ideaal. Al wie in goede dagen van gezondheid, kracht, jeugd en arbeid gegrepen kan worden door de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ziekte, invaliditeit, ouderdom en werkloosheid — hij late zich grijpen. Gehjk de goede armenzorg de weerzinwekkende bedeeling heeft verdreven — zoo drijve de sociale voorzorg de armenzorg voor zich uit en doe zij den omvanig der weldadigheid verminderen.

Maar de barmhartigheid blijve hare reddende hand uitstrekken naar de kleinen, de verwaarloosden, de vermoeiden, de bedroefden, de troosteloozen, de afgedrevenen.

Wij strijden voor de verbreeding en versterking der sociale voorzorg — maar evenzeer voor de uitbreiding en verdieping- der ware barmhartigheid.

Applaus dankte ook dezen spreker, die de vergadering deed uiteengaan met het geliefde tweede couplet van het „Wilhelmus":

Mijn schilt en de betrouwen

Sijt ghy, o Godt, mijn Heer! Op U so wil ick bouwen,

Verlaet my nimmermeer! Dat ick doch vroom mach blijven

U dienaer 't aller stont, Die tyranny verdrijven,

Die my mijn hert doorwont.

Sluiten