Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sche ontwikkeling mag door Christenen worden gehonoreerd, die ethisch i& gemotiveerd. Daarom zij bier een belangrijke conclusie van bet eerste congres herinnerd: „Het is daarom geheel in overeenstemming met de H. S. om opeenhooping van kapitaal en grondbezit tegen te gaan". Deze conclusie is ongetwijfeld , zeer. juist. Het komt er nu op aan deze gedachte in praktische voorstellen in de toekomst te belichamen.

Dit is zeker een reuzentaak, gezien de intusschen voortgegane ontwikkeling op de oude basis, waarbij het privaatbezit al wilder en wilder is uitgegroeid, maar daarvoor mag onze Ghristelijk-sooiale beweging niet terugschrikken. Zelfs de concurrentie met andere landen mag haar niet weerhouden, want het gaat om een hep&aü-ethische taak.

Maar daarnaast blijven dan de onmiddellijk voor de hand liggende, praktische vragen, b.v. al wat behoort tot het geven van een betere rechtspositie en meer bestaanszekerheid aan den arbeider, het loonvraagstuk, deelname in de winst, bedrijfsmedebezit, uitbouwing en erkenning der arbeidersorganisaties, collectief contract, ziekte- en ouderdomsverzekering, belasting naar draagkracht, bescherming van het groote gessin, dat bij uitnemendheid een punt van Ghr.-sociale politiek moet heeten, eAenning van het stakingsrecht, oplossing van geschillen door arbitrage, 8-uriige werkdag, Zondagsrust, verbod van kinder- en vrouwenarbeid enz.

Slechts enkele groote Bjnen konden worden getrokken, doch genoeg om te doen zien, hoe we hier voortdurend niet met louier-economische, maar ook met zedelijke vragen te doen hebben. Men zij er diep van doordrongen, dat we niet alleen een individueele, maar ook een gemeenschappelijke taak hebben in' economisch opzicht. Een Ghriste-. lijke maatschappij is als zoodanig geroepen er zorg voor te dragen, dat arbeiders in haar midden inderdaad „een menschwaardig, bestaan" kunnen leiden, dat hun beroep, met ons huwelijksformulier, waarlijk „een goddelijk beroep" kan genoemd worden. Want weliswaar heeft niemand tegenover God recht op een menschwaardig bestaan, daar wij als zondaren alles verbeurd hebben, maar wel heeft 'hij er recht op tegenover zijne medemenschen, aangezien God door Zijne algemeene genade ons allen mildelijk geeft en niet verwijt en Zijne zon doet opgaan over boozeni en goeden.

De sociale kwestie zelve is daarom een voortdurende, aanklacht tegen onze Christelijke maatschappij nu reeds 100 jaren lang. Zij wijst ons op een zware, gemeenschappelijke schuld. Niemand trachte, door welke drogredenen dan ook (zoowel verstandelijk-economisohe als hooggeestelijke drogredenen) zijn geweten in deze tot zwijgen te brengen. Dan zou hij de voornaamste ethische zijde der sociale 'kwestie voor hemzelven persoonlijk hebben verloochend. Maar hij belijde met de anderen saam zijne schuld voor God, zoeke verzoening bij Hem, die ons aier lasten torschte en ons aller schuld droeg, en vrage in eenvoudigheid des harten: „Heere, wat wilt Gij, dat ik doem zal?"

Waar deze stemming iheerscht, daar blijft het antwoord niet uit van omhoog. Dan zal blijken, dat ons kleine land, ons Christelijk Nederland, dat zoo menigmaal den toon aangaf in de wereld op godsdienstig en ethisch gebied beide, nog groot zal zijn door de kracht zijns Gods in al datgene, waarin ook een klein land groot kan zijn in deze donkere en moeilijke tijden.

Sluiten