Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit lang verloopene jaren tegen. Voor een oogenblik word ik nog eens jong, ik voel mijn hart warmer kloppen, mijn bloed sneller vlieden; ik vind de heldere dagen mijner kindsheid met hunne levendige vreugden en eindelooze smarten, mijne lang vervlogen jeugd met hare gulden droomen weder.

Ginds tegen den belommerden straatweg ontwaar ik, tus-

schen de vermolmde eiken, eene nederige woning met witte

muren, groene luiken en roode-pannendak.

/ Me dunkt, ik herken „het Pannenbuis", het buitenver/ - ••

blijf van Tante, dat zijnen rooden top, achter het groene

loover, boven de strooien daken der boerenwoningen uitsteekt.

Op de tinne draait een vergulde Kozak, die op een verguld paard van Noord naar Zuid reist, en met eene vergulde lans den wind wijst.

Tusschen de vensters kronkelen de knobbelige armen va» eenen ouden wijngaard.

Over het graspleintje rond de woning springt en dartelt Man, onze trouwe poedelhond.

Voor het opengeschoven gordijntje zit Tante zelve, met haar goelijk gelaat, haren vriendelijken lach, den zwaren nijpbril op den ingevallen neus, de half afgewerkte kous in de magere hand.

Goede Tante! zoo vind ik u in mijne oudste herinneringen | weder, altijd even welwillend, even toegevend, even bezorgd / voor het arme weeskind, dat gij aangetrokken hadt.

Zalige stonden der kinderjaren! uw aandenken werpt eenen straal van vrede en onschuld over geheel het leven.

Hoe kommerloos en genoeglijk loopen de dagen voorbij!

Ik woon bij Tante in het vreedzame Pannenhuis.

Mijn slaapkamertje is nevens haar nachtvertrek.

Sluiten