Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik hoor haar rondgaan en bewegen, tot ik insluimer, en slaap zonder de minste vrees; want aanstonds zijn wij vereenigd, als de wind te vervaarlijk in de hooge boomen huilt, of eene nare droom mij komt wekken.

Vóór het daglicht aanbreekt, hoor ik de zware boerenkarren over den steenweg rollen, en de looden ruitjes van het raam daveren en rammelen van den schok, O! dan doet het goed zich nog eens rond te draaien, zich in te wikkelen, en te voelen, hoe buiten de koude nijpt, en hoe koesterend warm het in het beddeken is.

Daar brengt de morgenzon haren eersten groet; een straaltje sluipt tusschen de wijngaardranken binnen tot op het hagelwitte bedgordijn, en duizend stofjes dansen en wemelen in den glans.

„Ernestje^ 't is zeven uren!" klinkt het voor de derde maal aan de trap.

Ik heb, onz' Mie de koffie al hooren binnendragen, Man op zijn beetje al hooren blaffen. Het is. tijd om op te staan,

Tante wacht mij op het ontbijt, en haar eerste woord is een moederzegen voor het kind, dat hem van niemand meer ontvangen kan.

In den morgen komen de landlieden met welgevulde beurzen en dikwijls waggelende schreden van de s.tad terug. De bpterkorven wegen licht op het hoofd der boerinnetjes, en haar stap is vlug.

Er heerscht leven en beweging op de baan, en 't is genoeglijk voor een kind tusschen de karren en wagens te spelen en te huppelen, te roepen en te juichen vóór de deur van het Panaenhuis.

De avond valt. De laatste diligentie rolt hobbelend en schommelend voorbij» en driemaal ter week werpt de koetsier het laatst verschenen nummer van, „de Postrijder" af, waarin

Sluiten