Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tante de huwelijken, maar meer de overlijdens harer vroegere kennissen leest, en onz' Mie „de branden en rampen" spelt.

De gordijntjes worden fijn geschoven, de luiken dichtgemaakt. Alles wordt stil. Het blaffen van eenen wachthond in de verte is al wat soms de landelijke rust nog stoort, en onzen Man de ooren doet spitsen.

De huislamp komt binnen. Tante neemt haar breiwerk op, en plaatst zich in den rechterhoek eener oude canapé met bruin damast overtrokken, waarin men zoo oprecht huiselijk en gemakkelijk zit.

Aan hare zijde wemelt en kruipt een ongedurig jongetje met blond haar — ja, het had blond haar in dien tijd, helaas! — en levendige, blauwe oogen.

„Maar Ernestje", vermaant de breister, het kind vriendelijk op den schouder kloppend, „kunt gij u dan toch geen Ave Maria stil houden?"

„Wel, ik zit zoo stil als een muisken", verschoont de kleine, die juist bezig is een dansje te houden op de ressorts der canapé.

„Ja wel", herneemt de bejaarde vrouw, „het is de derde maal, dat ik mijne steken laat vallen, en ik kan ze maar niet opgeraapt krijgen."

„Tante lief", vleit de kleine, „moet gij dan eeuwig en altijd breien? Vertel liever iets uit uwen jongen tijd, waar gij zoo gaarn van spreekt."

„Vandaag niet", schudt de naarstige werkster, de blozende kinderkaakjes tusschen hare vingers drukkend, „zoudt gij willen, dat ik tegen Mariatjes verjaardig niet gereed was? Het is overmorgen, en ik ben nog aan mijn eerste paar", en de bol saai rolt weder over de tafel, de breipriemen schuiven snel over elkander, en Ernestje zit zoo stil als een muisken voor eene Ave Maria.

Sluiten