Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dwong onze goede Tante, alle jaren een steeds grooter getal kousen te leveren.

Om dit te begrijpen, vriend lezer, moet gij weten, dat onze Tante Mina, oude jongedochter, gelijk zooveel andere door het huwelijk in den hoek harer canapé vergeten, twee jongere zusters bezat, die in de stad getrouwd waren.

De eene was de spaarzame en boekhoudende gezellin van eenen wisselagent, geassociëerde van het oud bekend Duitsche huis „Scharrbei en Comp.", dat zijne kantoren heeft in alle havens en zijne succursalen in alle werelddeelen; de andere was de trouwe, doch dikwijls verlatene gezellin van eenen zeekapitein.

De twee schoonbroeders beminden elkander oprecht, gelijk het onder zwagers betaamt. Doch de zeekapitein kon zich niet ontmaken van eenen onweerstaanbaren afkeer, niet tegen eenen speculant in het bijzonder, maar tegen de beursmannen in het algemeen.

„Die heeren kennen niets dan het geld, en hebben geenen eerbied dan voor het goud", bemerkte hij wel eens, terwijl de wisselaar uit het diepste zijns harten de zeelieden beklaagde, die zooveel moed toonen, zoovele gevaren trotseeren, van zoovele goudbergen uit verre landen vertellen... maar, helaas! zoo bitter weinig schijven tehuis brengen.

Tusschen hen beide stond Tante zonder vooroordeel tegen eenig beroep, even welwillend voor beurs- als voor zeelieden: zij was de neutrale grond, waarop ieder, gelijk op alle neutrale gronden, aanspraak wilden maken.

„Eene zoo brave tante moet men niet verwaarloozen", pinkte de geldman tegen zijne levens- en handelsgezellin, „al was het maar voor de kinderen."

„De zuster zijner eega, de oudste, het hoofd der familie, is men allen eerbied verschuldigd", heette het bij den zee-

Sluiten