Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenen stillen statigen zoen tot bevestiging der belofte, welke zij aangegaan had.

Tranen vloeiden uit de oogen van den gelukkigen wisselaar, die bijna te laat kwam op de beurs.

Hij bouwde reeds luchtkasteelen op de genegenheid van Tante; ddch een zeekapitein geeft zich zoo spoedig niet ten onderen. Geen vier maanden verliepen, of een rijtuig kwam, met de volle snelheid van een vigilantpaard, den steenweg afgereden, en hield voor het ijzeren hekke van het Pannenhuis stil.

De zeeman sprong er uit, trok de bel bijna af, stiet de groene deur breed open tot groote ergernis van Mie, vloog in de armen van Tante, en stortte tranen op hare schouders. Hij ook was vader, en kwam om Tante, te ontvoeren en te brengen bij moeder en kind, die zoo vurig naar haar verlangden. De nederige held dezer geschiedenis was den nacht te voren aangeland, en lag te schreeuwen in eene biezen wieg, waar Tante hem uitnam, aan haar-hart drukte en zoodanig met kussen overlaadde, dat het niet was om na te zien. De wisselaar rammelde met zijne horlogeketting en trippelde op en neer. Het was nog erger dan met kozijn Piet.

Ook ik werd onder de geestelijke bescherming der goede vrouw geplaatst. Het fooien ging zijnen gang, en zij doopte mij Ernestus Gentilis, twee voornamen, die zij uit eenen ouden roman onthouden had. En dan, kon zij voor Ernestus Gentilis min doen dan voor Petrus? Moesten de twee neven niet gelijk staan ? Was ik zoowel het kind harer zuster niet als de andere ? Ook vóór de avond viel, was de arme vrouw alweder belast met eene „perpetueele ehde eeuwigdurende rente" van vier paar kousen, betaalbaar op eiken verjaardag vallende telkens op acht November van ieder jaar.

Sluiten