Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klein en ouderwetsch, de ronde poortjes laag en donker, de oude vrouwtjes nederig en gebogen.

Voor elke woning lag een popperig tuintje, doorkronkeld met smalle paadjes, omzoomd door glad geschoren palmstruikjes, van de straat afgesloten met eenen eentonigen witten muur, waar de puntgeveltjes en schouwtjes met moeite boven uiftkeken. Een wereldsche blik drong er nooit, een zonnestraaltje zelden binnen. Het was het middeneeuwsche klooster met zijnen ernst en zijne melancholie.

Luchtige woningen met twee verdiepen, gemakkelijke, maar ook prozaïsche burgerhuizen, verdringen meer en meer de eigenaardige cellekens van vroeger, waarin de juffrouwen Begijntjes als kanarievogeltjes, trippelend en pikkend in hun hokje, leefden, speldekussens en kapellekens vervaardigden, en voor ieder kind een „prijsken" of een beeldeken, een „santje" of een „santinnetje" ten geschenke hadden. Op den deftigen gevel staat nog geschilderd „In de oog Gods, in Ste.-Geertruide"; maar het spiegeltje, dat op het eerste verdiep uitsteekt, protesteert tegen die heilige benamingen, en het briefbusje, dat te midden der licht gekleurde deur met het woord „lettres" prijkt, levert het bewijs, dat, indien de heilige schepseltjes aan de wereld verzaakten, zij toch niet zijn, zonder er eenige correspondenten te hebben bewaard.

Er bestaan zeker nog Begijnhoven; doch zij zijn niets meer dan afgelegene wijken der stad, waar misschien meer doodschheid, meer verveling heerschen, maar niet meer eigenaardigheid te vinden is.

Ook wonen thans op de hoven zoovele wereldlijke juffers als geestelijke zusters, zoovele kleine renteniers als novicen.

In mijne jonge jaren waren daar niet dan gesluierde,

Sluiten