Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geprofeste, zwart gekleede en wit gedoekte, erkende, oprechte Begijntjes en kinderscholen.

«Sf Juffrouw Monnier hield er op den hoek van het „Hemdsmouwken" — schilderachtige naam voor een Begijnhofstraatje 1 — in een vervallen huisje met kleine ruitjes, vooruitspringend dak, en bouwvalligen arduinen trap, een soort van gesticht, dat zij haar „établissement pour 1'éducation des deux sexes" noemde.

Wij heetten het eenvoudig „de Oordjesschool" en ondanks den hoogklinkenden Franschen naam, was het, naar oud gebruik, met de „oordjes" af te halen, dat eiken dag de werkzaamheden begonnen.

Men leerde er spellen in „Kruisken A", lezen in den „Heelen en halven geschrifte", catechismus opzeggen, fabeltjes voordragen, maar vooral nijgen en buigen „serviteurkens" en „servantjes" maken.

Tante, die vond, dat ik te groot en te ongedurig werd, en de tijd van leeren aankwam, koos in hare hooge wijsheid die Oordjesschool uit, om er mijne eerste opleiding te ontvangen.

Me dunkt, ik zie de lange juffrouw Monnier nog op den dorpel staan met haren grooten schuithoed op, haar gebloemd kleed aan, en haar geducht reglet in de hand, toen ik schuchter en bloode, vastgeklampt aan den mantel van Tante, de gebrekkige trap opstapte.

„Op de vierde bank!" riep „Mamesel", die mij van Tante losrukte, met den arm voortduwde en nederzette te midden van eenen troep bengels, jongens en meisjes, die tierden en raasden, schreeuwden en gilden, dat mij hooren en zien vergingen.

Voor zijnen welkom roofde men den „nieuwe" zijne klak, trok hem met den kiel, greep hem bij de haren, zoodanig,

Sluiten