Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat ik gepijnigd en bevreesd luidkeels aan 't weenen ging.

„Ha, daar zijn krijschers in de school", riep de meesterse rood van gramschap, „wij zullen hun dat wel afleeren."

Met eenen stap stond zij aan mijne zijde, trok mij zonder meer omslag uit de bank, en voor ik nog tijd had een woord te uiten, zat ik in een soort van hoek-schapraai onder de trap, die tot „kot" diende, en waarmede ik later nog meermalen kennis heb gemaakt.

Zoo ondervond ik van het eerste uur, hoe bitter de beginselen der wetenschap zijn, in afwachting, dat ik ooit eens verneme, hoe zoet de vruchten er van smaken.

Doch die beproeving, klaarblijkelijk onrechtvaardig onderstaan, bleef niet zonder belooning.

Aan het „in 't kot zitten" scheen het burgerschap onder de scholieren verbonden. Ik had het doopsel des bloeds ontvangen, en toen ik een half uur later, met rood bekretene oogen, opgestroopten kiel, snikkend en snokkend te voorschijn kwam, juichten de ondeugende snaken mij toe. Ik werd als hun makker opgenomen, en voortaan kenden wij op school geenen anderen vijand meer dan Mamesel.

Gezegende ouderdom!

Is er wel een tijd, waarin de mensch talrijker, levendiger gewaarwordingen heeft, waaruit hij dieper indrukken be\ waart-dan uit de Oordjesschool? Een namiddag verlof schijnt een hemel van genoegen, twee uren school een eeuwigheid van treurigheid en verveling.

En dan hebt gij den opstand tegen de meesters, de plagerijen tegen de geburen, de kwade poetsen op straat, de vreugde der eerste belooning,, de smart der eerste straf, maar bovenal de eerste vriendschap, de eerste liefde!

Welke bewondering gevoel ik voor Frans Theunis, den zoon uit den „Vergulden Olifant", den grooten kruideniers-

Sluiten