Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

petten, bijten op de vingers, zuigen aan onze zakdoeken en leveren het onbetwistbaar bewijs, dat wij zoo ontwetend zijn uit noodzakelijkheid des middels als uit noodzakelijkheid des gebods.

Het is droevig om aan te zien. Niets wil er uit, en te midden der onbeschrijfelijkste verwarring briescht Mamesel op en neer, als eene gekwetste leeuwinne, quaerens quem devoret.

Doch Frans is daar. Hij springt recht bij elke strikvraag,* steekt den vinger op, als wij allen bot staan; zijne kunde redt de eer der school, en verlost ons uit de klauwen van Mamesel. De eerweerdige heer Scholaster verklaart zich ten uiterste voldaan, blijft bij de meestersé ontbijten en chocolade drinken, waarvan de aangename geuren reeds uit de keuken opstegen, als wij nog op de pijnbank zaten, en hij verleent ons eenen dag vacantie.

Aan wien waren wij dat weeral verschuldigd?

Aan wien anders dan aan den geleerden Frans.

Ja, wij moeten hem zoowel dankbaarheid als eerbied bewijzen.

Ook ben ik fier en gelukkig, als de zoon uit „den Olifant" zich de moeite geeft mijne marmerbollen af te winnen, zich verlaagt tot mijn japfleschken uit te drinken, of mij de eer aandoet de drie kwart mijner kersen of krieken op te eten, en ik voel mij wel eenen voet grooter worden, als ik in het najaar zijnen vlieger mag helpen oplaten, en bij die gewichtige bewerking den staart mag vasthouden.

Doch zie, een zwart wolkje rijst op aan den hemel mijner eerste vriendschap, mijner grenzenlooze bewondering.

De worm der jaloezij knaagt mij voor de eerste maal .aan het hart.

Ik ben nog kleiner dan Frans Theunis; doch ik begin

Sluiten