Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het zoo fier mee voortstapt, gevaar loopt: twee groole tranen biggelen achter hare lange, zwarte wimpers.

Niemand, die haar voorstaat; niemand die haar verdedigt 1 Al de scholieren dansen rondom de weenende, lachen met hare verwarring en juichen bij de stoutheid van den sterken Frans.

„Frans!" roep ik op eens, ontzag, bewondering, vrees en vriendschap vergetend, „Frans dat is niet wel van u. Laat Bertha gerust."

„Wat krijgt dat manneken?" antwoordt lachend de woestaard, over zijnen schouder heenkijkend, zonder zich zelfs om te draaien.

Het was de eerste maal, dat een jongen uit de school hem zoo dorst aanspreken.

„Ik krijg", krijt ik toespringend, „dat gij geene hand meer zult steken aan dit meisje, of anders...."

„Wat anders?" spot de groote uit „den Olifant" en trekt zoo hard met de linten, dat het mooi hoedje op den grónd rolt.

Ik ken geene vrees meer, vlieg op den plager toe: wij grijpen elkander vast en rollen op de steenen.

Ik lig onder en krijg geweldige vuistslagen op den neus; maar zie, ik doe eene vlugge beweging. Frans tuimelt op den rug, en nu ook regent het stooten en stompen, totdat de overwonnene genade vraagt onder het handgeklap der makkers, die met hijgende borst en beklemd hart dien reuzenstrijd, waardig van de goden van Homerus, bijgewoond hebben.

Van dien dag gaat de kroon der schoolheerschappij van het hoofd van den zoon uit den kruidenierswinkel op het mijne over; ik werd op mijne beurt het haantje vooruit. Bertha deelt in mijne waardigheid. Zij staat onder mijne

3

Sluiten