Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kleine makkers beginnen onze genegenheid te bemerken.

Ik ontwaar er, die ons met den vinger nawijzen, geheimzinnig lachen, als wij voorbijgaan, en nu mag ik Bertha niet meer aanspreken, of het klinkt aan den hoek der straat:

Meiskenszot, De deur in 't slot, De grendel er veur: Adieu, ma soeur!

dan hoor ik gespot en gegil, en als ik toeschiet, zijn zij reeds verdwenen, de schaamtelooze zangers van dit hoonend liedl

De kleine Bertha voelt, dat zij voorzichtig moet wezen, hare reputatie niet mag wagen, en zich op haar respect moet houden.

Vóór ik, bij het uitgaan der klas, mijne lei weggedaan en mijne leesboeken samengeraapt heb, is zij de school reeds uit, en nauwelijks vind ik nog gelegenheid om met haar terloops een woordje te wisselen.

Nog eens gelukt het mij haar te vergezellen en haar bij het verlaten het handje te drukken, maar 's anderendaags vind ik op den kerhofmuur geteekend: een dikken bol op twee stekken, die een mannetje moet verbeelden, en een klein kopje met lang lijf, dat een vrouwtje moet heeten, die elkander bij de hand houden, en daaronder in reusachtige letters:

Dat Ernest met Bertha vrijt,

Staat hier geschreven in 't wit krijt!

Sluiten