Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en nog heden, nf zoovele jaren, kan ik geen klein meisje met lange lokken, breeden ronden hoed, zwarte oogen en lachend gelaat ontmoeten, zonder mij het hart ontroerd te gevoelen bij het aandenken van al wat ik verloren heb.

Bertha bevond zich in eenen zonderlingen toestand. Haar vader was vreemdeling, terwijl hare moeder hier te lande thuis behoorde. Beiden waren personen van zekeren rang, die aan het hoofd van een aanzienlijk handelshuis hadden gestaan. Doch de bankbreuk eener machtige firma deed hen opeens alles verliezen. Bertha telde toen pas drie jaren. De vader liet zich niet ontmoedigen. Hij plaatste vrouw en dochter op het Begijnhof bij juffrouw Serruys, hare nicht, en vertrok naar Engelsch Indië, met het voornemen de kans opnieuw te wagen, zijn vermogen te herstellen, en zijne familie te laten volgen, als hij denzelfden stand zoude heroverd hebben, welken hij in Europa verloren had.

Bertha was als eene weeze, door het ongeluk bezocht, mij dus dubbel lief en heilig, en ik zegende soms de beproevingen, die hare familie troffen, en mij toelieten te droomen, dat ik eens haar beschermer wezen zou.

Het toeval en een zekere overeenkomst in hare wederzijdsche toestanden deden betrekkingen ontstaan tusschen mistress Hovill, Bertha's moeder, en mijne tante.

De dame moest de vrije lucht gebruiken, en kwam bij schoon weder den landweg opgewandeld tot aan het Pannenhuis, terwijl wij dikwijls de winteravonden bij haar gingen doorbrengen.

Begijntje Serruys, de nicht van mistress Hovill, bewoonde in een der zijsteegjes van het hof, eene kleine woning „In den soeten naem Jezus", en de heilige letters I. H. S. stonden te midden van den ouderwetschen kijkuit gebeiteld.

Sluiten